Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

27

dit geschiedde ook door ruil. Kerkvergaderingen hadden zich daartegen verklaard, reeds in de 7de eeuw, en later nog meermalen. Bisschoppen en koninklijke afgezanten (missi) moesten op hun rondreizen onderzoek instellen, of de geestelijken slaven hadden geruild. Julius, aartsbisschop van Mainz en tijdgenoot van Bonifacius ("j* 755), verbood als een barbaarsch gebruik: „menschen als paarden te ruilen". Maar deze stem was die eens roependen in de woestijn. Het misbruik bleef bestaan en werd als een wettige transactie beschouwd, waaromtrent officieele verklaringen konden worden opgemaakt.

Een der oudste documenten van dien aard, welke tot ons zijn gekomen, dagteekent uit den tijd van keizer Lodewijk II (843—876) en is van dezen inhoud: „Wij willen, dat het zoovelen mogelijk bekend zij, dat ik, Sigbert, een ruil heb aangegaan met den abt Grimald. Ik heb hem twee slaven gegeven van het domein van St. Gallen, genaamd Gaudentius en Heriger. Daarvoor heeft hij mij andere slaven gegeven van dezelfde waarde, genaamd Rato en Seliger" 1). Uit oorkonden blijkt, dat de ruilingen plaats grepen in tegenwoordigheid van den schout, de schepenen en „alle burgers" (universis civibus) 2).

Uit Gelre bestaat een uitvoerige oorkonde van 1064, waarin o. m. voorkomt, dat de proost der kerk te Zutphen bij het ruilen van „een man of een vrouw" 2 sol. of een geitevel moest ontvangen als bekrachtigende getuigenis der overeenkomst 3). Hetzelfde honorarium werd betaald aan de abdij te Essen: „Eynen wissel dye sal men doin mit eynen ledernen bokkenhuet ofte met tween scilling kolsch" (keulsch); als de ambtman voor dien prijs de ruiling niet wilde bijwonen, dan moest men zich wenden tot den ambtman van den landsheer 4). De reden, waarom men dit te betalen had, wordt opgegeven in het hofrecht der hoven, die de abdij te Essen bezat in Salland: „opdat in geval dé geruilden later mochten worden opgeeischt, er geen sprake zal kunnen zijn van diefstal" 5).

In het tijdperk der hoorigheid kon ruil slechts plaats grijpen met goedvinden der te ruilen personen: „mit synen guden wylle", „met goiden moetwyllen", „sui ipsius voluntate et consensu", enz. Waren de subjecten niet van gelijke waarde, dan werd dit verschil vergoed door toegift van een stuk land of, als in onderstaand geval, van een paar kinderen of iets van dien aard 6).

Hoe de ruiling geschiedde, wordt nauwkeurig beschreven in de volgende attestatie. De pastoor van Gladbeck verklaart in 1423, dat hij tegenwoordig is geweest bij een ruiling, aangegaan door de abdij te Essen tegenover zijn gansche gemeente, den richter en den rentmeester der abdij. Op een daartoe bepaalden dag werden de te ruilen personen, 2 vrouwen, door den richter en den schout in de

1) Goldast, Rer. Alem., II, No. 24.

2) Kindlinger, a.w., No. 19, S. 228.

3) Sloet, Oork.bk., No. 174: „ad rei confirmande testimonium".

4) Kindlinger, a. w., No. 75, S. 383, § 9 (1324).

5) Ibid., No. 20 § 5.

6) B. v. Sloet, Oork.bk,, No. 890, (d.d. 1266): ruiling van een man tegen een anderen man en diens zuster.

Sluiten