Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

33

talenten en bekwaamheden mochten zijn. Namelijk, zoolang het belang van zijn heer er niet mede gemoeid was; want daarop werd — zooals hieronder zal blijken — wel degelijk gelet.

Voor al zijne wandaden werd de slaaf aan den lijve gestraft, meestal met het alternatief van een boete, berekend naar 1 denarius per stokslag.

Diefstal schijnt hun pekelzonde te zijn geweest; daaromtrent zijn de strafbepalingen het talrijkst en het meest genuanceerd. Stal de slaaf buitenshuis iets ter waarde van 2 d., dan kreeg hij öf 120 stokslagen öf een boete van 120 d. (3 sol). Pleegde hij een diefstal ter waarde van 40 d., dan werd hij gecastreerd of moest 240 d. betalen (6 sol.) 1).

Beging de slaaf een diefstal, waarvoor een vrij-man met 600 d. (15 sol.) werd beboet, dan werd hij op de bank gestrekt en ontving 120 stokslagen. Bekende hij voordat de geeseling begon, dan kon hij met goedvinden van zijn heer „zijn rug loskoopen" met 120 d. (3 sol.), maar dan moest zijn heer ook het gestolene vergoeden. Was de diefstal zoo groot, dat er voor den vrij-man een boete op stond van 1400 den. (35 sol.), dan ontving de slaaf eveneens 120 stokslagen; bekende hij onder deze kastijding, dan werd hij gecastreerd of had 240 den. (6 sol.) te betalen, terwijl zijn heer het gestolene moest vergoeden. Bekende de slaaf en wilde de geeselaar doorgaan met zijn beulswerk, zelfs tegen den wil van des slaven heer, dan moest hij dezen een pand geven en den slaaf voor zijn rekening nemen. Bekende het slachtoffer, dan mocht de geeselaar den slaaf benouden en moest hij den heer den prijs van den slaaf betalen. Maar verklaarde de slaaf iets ten nadeele van zijn heer, daarvan mocht men niets gelooven. Had hij een misdrijf begaan, waarop voor den vrijman eene boete stond van 1800 den. (45 sol), en bekende hij onder de geeseling, dan werd hij ter dood veroordeeld 2).

Werd een slaaf van eenig misdrijf beschuldigd en was diens heer bij de aanklacht tegenwoordig, dan moest de aanklager dezen aanmanen den beschuldigde onmiddellijk ad justa supplicia uit te leveren. De aanklager behoorde dan roeden gereed te hebben ter dikte van een pink en ook een bank om den slaaf daarop te leggen. De heer kon, zoo hij dit wenschte, 2 malen 7 dagen uitstel verkrijgen; leverde hij na verloop van dien termijn zijn slaaf nog niet uit, dan nam hij de verantwoordelijkheid voor de gansche zaak op zich en had de volle boete te betalen, die voor den vrij-man op het misdrijf stond. Desgelijks was het met zwaardere vergrijpen, waarop hoogere boeten waren gesteld. Werd eene slavin beschuldigd van een misdrijf, waarvoor een slaaf werd gecastreerd, dan moest haar heer 240 den. betalen of wel zij ontving 240 zweepslagen 3).

Zonderling is de bepaling omtrent diefstal in de Ribuarische wet. Als een slaaf een diefstal begaat, dan wordt zijn heer veroordeeld tot een boete van 36 sol., vergoeding van het gestolene en de kosten 4).

1) Lex Salica, tit. XIII, c. 1, 2 (I, p. 23, 24).

2) Lex Salica, tit. XLII, c. 7 (I, p. 57). 3) Lex Salica, tit. XLII (I, p. 56—59). 4) Lex Ripuariorum, tit. XXIX (I, p. 171).

3

Sluiten