Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

35

heer de waarde daarvan vergoeden, alsof deze zelf het had weggenomen, en aan den koning 4 sol. (= 12 den.) weergeld voor den slaaf betalen 1). De boete voor het dooden van een slaaf beliep 1 pond 4'/2 ons 2). Had iemand een slaaf of een paard in Onderpand en werd door dien slaaf of dit paard eenige schade aangericht, dan kwam deze voor rekening van den eigenaar, niet van dengene, bij wien de slaaf of het paard in pand stond; maar ontvoerde iemand met geweld eens anders slaaf bij wijze van pand en richtte die slaaf dan eenige schade aan, dan moest de boete betalen hij, die den slaaf had ontvoerd 3). Doodde een laat of een slaaf zijnen heer, dan werd hij ter dood gepijnigd 4).

In geene der oude wetten wordt den heer het recht toegekend over het leven van zijn slaaf. Trouwens op een synode te Agde (in Frankrijk) was reeds in 506 uitgemaakt, dat den heer dit recht niet toekwam zonder vonnis van de rechtbank. Als iemand zijn slaaf doodt zonder rechterlijk vonnis, zal hij dat vergoten bloed met 2 jaren excommunicatie of penitentie boeten 5). De penitentie werd opgelegd door de geestelijkheid en zou bestaan in een bedevaart', streng vasten, ontzegging der genademiddelen, enz. Wie eens andermans slaaf of slavin stal, doodde, verkocht of in vrijheid stelde, had dezelfde boete te betalen als voor diefstal van een paard, n.1. 35 sol., benevens de waarde van den gestolen persoon en het weergeld; voor een slavin evenwel slechts 30 sol. 6). In den Pactus legis Salicae (§ 6 vlg.) vindt men dan de boeten bepaald, staande op het dooden van een meer ontwikkelde soort van slaven. Daar worden genoemd: een meier, een tafeldienaar 7), een schenker 8), een hoefsmid, een paardenknecht, een smid, een goudsmid, een timmerman, een jager (of een arbeider in den wijngaard?), een varkenshoeder, een handwerker. Wie zulkeenen, die een waarde had van 25 sol., doodde of stal, had een boete van 35 sol. te betalen benevens het weergeld en de kosten. Maar betrof het een meierin of een huisslavin (ancilla ministerialis), die 25 sol. waard was, dan behoorde er een hoogere straf opgelegd te worden; welke, wordt niet bepaald, doch later werd vastgesteld, dat dan de boete 3200 den. (85 sol.) zou beloopen 9).

Volgens de Friesche wet moest hij, die eens anders slaaf doodde, hetzij de doodslager een edelman, een vrij-man, een laat of ook een slaaf was, den prijs betalen, door den eigenaar van den verslagene geëischt. De slaaf werd daarbij geheel gelijkgesteld met het vee. Immers de wet gaat voort: hetzelfde zal het geval zijn met paarden, runderen, schapen, geiten en alle dieren, die tot nut van den mensch

1) Lex Frisionum, tit. IX, c. 17 (I, p. 358).

2) Ibidem, tit. XV, c. 4 (I, p. 362).

3) Ibidem, Addit. Sap., tit. IX c. 1, 2 (I, p. 373).

4) Ibidem, tit. XX, c. 3 (I, p. 363): tormentis i n t e r f i cia t ur.

5) Capitularium Add. IV, c. 49 (II, p. 839).

,t 6),i^X,^ali?a' dt- XI' c- l' 3 (I' P- 21>- De Rlpuariorum stelt in tit. VIII (1, p. 167) 36 sol. op het dooden van een slaaf.

7) Walter geeft „infestor"; ik vermoed, dat „infertor" zal zijn te lezen, en neem aan, dat dit beteekent: spijsdrager („dapifer").

8) Zoo meen ik „scantio" te mogen vertalen: „échanson".

9) Pactus legis Salicae, tit. XI, c. 6—8 (I, p. 22).

Sluiten