Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

39

gemaakt, hetzij eigenhandig, hetzij een ander dit namens hem deed, in tegenwoordigheid des konings, volgens de Ribuarische wet, met een penning, en de vrijgelatene daarvan een oorkonde of brief (charta) heeft ontvangen, dan veroorloven wij in geenen deele hem weder in slavernij te brengen; hij zal altijd even vrij (1 i b e r) blijven als de andere Ribuariërs."

In dit voorschrift vallen verschillende punten op te merken. Vooreerst de twee graden van vrijheid: vrij (1 i b e r) en volkomen vrij (i n g e n u u s), even vrij alsof hij vrij geboren ware. Dan, dat de vrijlating plaats vond voor den koning; en ten derde, dat zij geschiedde „met een penning", welke penning uit de hand werd geslagen.

Het oudste mij bekende voorbeeld schildert deze formaliteit in de volgende woorden — tot beter begrip waarvan zij opgemerkt, dat een slaaf van een geestelijk gesticht nimmer kon worden vrijgelaten, tenzij men 2 andere in zijn plaats stelde — :

„In den naam der H. Drievuldigheid. Karei, bij de gratie Gods keizer.

Het zij allen aan de heilige kerk Gods en ons getrouwen, tegenwoordige en toekomstige, bekend, dat onze getrouwen X en Y geschonken hebben 2 hunner eigen-lieden (mancipia sua propria), N en N, aan het nieuw gestichte vrouwenklooster te Brixen, in handen van den advocatus van dat klooster Z„ in ruil voor zekeren volschuldige (servum) genaamd L, opdat wij dezen ter vermeerdering onzer belooning zouden vrijlaten. Wij, met eigen hand een penning slaande uit de hand van genoemden L, (of) een andere munt, een zilveren, een gouden, een dragma, een sestertius en een mina, volgens de Salische wet, hebben hem daarom vrij gemaakt en van alle juk der slavernij ontheven; welke ontheffing wij door dit ons getuigenis bekrachtigen", enz. 1).

Ook een voorbeeld van eigen bodem. In 896 liet Zwentibold, koning van Lotharingen, waartoe een gedeelte van onze landstreken destijds behoorden, op verzoek van den bisschop van Utrecht, zekere vrouw Odburg of Elburg, slavin der kerk van Eist (in Overbetuwe), vrij (libera et ingenua). Voor haar gaf hij „volgens de Salische wet" 2 slaven in de plaats, terwijl hij haar daarop „volgens de Frankische wet" een penning uit de hand sloeg als bewijs harer volkomen vrijmaking (ingenuitatis confirmatio). Een oorkonde werd opgesteld en door den koning bezegeld, inhoudende, dat Elburg de volle vrijheid deelachtig was geworden en ten eeuwigen dage zou verbüjven, „alsof zij uit vrije ouders ware geboren" 2). Dit greep plaats op den burcht te Nymegen, gewis in de kapel aldaar.

In de Salische wet wordt op dit gebruik aldus gedoeld: „Als iemand eens anders laat (lidus) buiten weten van diens heer in tegenwoordigheid des konings met een penning vrij maakt, beloopt hij een boete van 100 sol. en moet hij de waarde van den vrijgelatene aan diens heer betalen, aan wien eveneens de bezittingen (res) van den aldus vrijgelatene zullen worden gegeven. Maakte

1) Formulae Alsaticae, No. 4 (III, p. 528).

2) Sloet, Oork.bk., No. 68.

Sluiten