Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

iemand eens anders slaaf (sërvus) op genoemde wijze vrij, dan werd hij met slechts 25 sol. beboet; ook in dit geval moest de waarde van den slaaf worden vergoed en vervielen diens bezittingen aan den oorspronkelijker! heer (proprius dominus) 1). De vrijgelatene schijnt er met verbeurte zijner bezittingen afgekomen en de vrijheid van kracht gebleven te zijn.

Bij de eerste Romeinsche keizers gold ook een oorvijg als teeken van vrijlating; dit volgt uit een anecdote, allergeestigst medegedeeld door Phaedrus. Op zijn weg van Rome naar Napels vertoefde keizer Tiberius eenmaal in de door Lucullus op een heuvel gebouwde villa, vanwaar men een uitzicht had op Sicilië en de zee. Terwijl de keizer dit van een der terrassen stond te genieten, kwam een der slaven toeschieten, bedrijvig, met hoog-opgeschorte kleederen, en ving aan, geheel .onnoodig, den grond te besproeien, met groot vertoon van ijver. De keizer begaf zich naar een ander gedeelte van den tuin, waar de slaaf langs andere paden tegelijk met hem aankwam en onmiddellijk weder aan het besproeien ging. Tiberius, van wien hij hoopte eene flinke belooning daarvoor te ontvangen, riep hem nu toe: „Hoor eens hier". Nu dacht de slaaf, dat het gelukkigste oogenblik van zijn leven was gekomen, en sprong naar den keizer. Maar het viel tegen. De keizer, die het spel doorzag, merkte droogweg op: „Al die drukte heeft niets te beduiden, is geen belooning waard. Zoo goedkoop zijn oorvijgen bij mij niet te krijgen" 2). Burman haalt in zijn uitgave van Phaedrus (1718) hierbij aan Isidorus (Origines, IX, 4), ten bewijze dat de Romeinen bij de vrijlating hunnen slaven oorvijgen toedeelden. Misschien stamt het kerl slaan, dat vroeger in Zweden en andere noordsche streken in gebruik was, af van dit gebruik. Volgens Boxhorn's aanteekeningen op de kroniek van Veldenaer placht een heer, wanneer hij zijn dienaar wegens langdurige trouwe diensten de vrijheid schonk, hem een slag te geven met zijn rapier, daarbij zeggende, dat hij hem daardoor stelde op vrije voeten en ontsloeg uit zijn dienst. Zou ook de ridderslag met het zwaard misschien zijn ontstaan kunnen te danken hebben aan de oorvijg bij de vrijlating?

De formaliteit met het muntstuk hadden de Franken overgenomen van de Romeinen. Een formulier van vrijlating bij laatstgenoemd volk luidde: „Wij, met eigen hand een penning slaande uit de hand van N., of een andere munt, zilver of goud, een dragma, een sestertius of een mina" 3). Eene andere glosse geeft: „Een slaaf, die vrijgelaten wordt door den keizer, waarbij deze een penning houdt boven het hoofd van den slaaf, welke hem (door wien?) uit de hand geslagen wordt, wordt impans denarialis genoemd" 4). En weder anders wordt het uitgedrukt in de Ribuarische wet: „Geen in de kerk vrijgelatene (tabularius) vermete zich een penning voor den koning te werpen" (ante regem iactare) 5).

1) Pactus legis Salicae, tit. XXX, c. 1—3 (I, p. 42).

2) Multo maioris alapae mecum veneunt (Fab. II, 5, 25).

3) Bignon op Marculfl Form., p. 284. Vgl. blz. 39.

4) Zie Grimm, Germ. Rechtsalt., S. 331; vgl. du Cange, i. v. impans.

5) Lex Ripuariorum, tit. LVIII, c. 1 (I, p. 180).

40

Sluiten