Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Een vrijbrief-formulier of oorkonde van vrijlating met het muntstuk geeft Marculf: „Aangezien N., komende voor ons of in tegenwoordigheid onzer voorgangers, zijn slaaf, genaamd X., door het wegwerpen (i a c t a n t e) van een penning overeenkomstig de Salische wet heeft vrijgemaakt, zoo bekrachtigen wij deze vrijmaking door dit geschrift. Want wij bevelen, dat evenals de overige slaven (mansuaria), die op genoemde wijze in tegenwoordigheid van vorsten vrije mannen zijn gemaakt, ook de bovengenoemde in Godes naam, door ons getuigenis volkomen gewaarborgd, te allen tijde met Godes en onze gunst door Christus' genade volkomen vrij en onbelemmerd zal blijven" 1).

Zij, die de vrijheid met de formaliteit van den penning (denarius) ontvangen hadden, werden daarnaar genoemd denariales of denariati; welk (homo) denarialis men door het onschoone woord penning-man of -mensch zou kunnen vertalen. Het was deze methode, die de hoogste mate van vrijheid medebracht. Voor een penning-man gold een weergeld van 100, zelfs 200 sol. 2). Maar ondanks de schoone belofte van ingenuitas was de penning-man toch niet in alle opzichten vrij. Evenmin als de overige soorten van vrijgelatenen kon hij erven; in de mannelijke lijn (agnatio) konden zijn afstammelingen dit niet vóór het derde geslacht. En stierf de penning-man kinderloos, dan verviel zijn gansche nalatenschap aan den koning. Werd hij gedood, dan was het eveneens de koning — niet 's mans verwanten — die, als zijn beschermheer, het op den doodslag staande weergeld ontving. Na de koninklijke vrijlating bleven dus nog smetten der slavernij op hem kleven.

Bij de Ribuariërs bestond nog een andere graad van vrijlating, n.1. „volgens de Romeinsche wet". Als iemand zijn slaaf vrij en Romeinsch burger heeft gemaakt, de deuren voor hem heeft opengezet 3) en deze vrijgelatene komt kinderloos te sterven, dan vervalt zijn nalatenschap aan de schatkist (fiscus). Begaat deze vrijgelatene een misdrijf, dan wordt hij volgens de Romeinsche wet geoordeeld. Wie hem doodt, beloopt een boete van 100 sol. (evenveel als voor den penning-man). Mocht zijn heer hem voor den koning met een penning willen vrijmaken, zoo is hem zulks veroorloofd 4). Men volgde daarbij de opvatting van de Romeinsche jurisprudentie, volgens welke de slaaf geen vaderland had; werd hem de vrijheid geschonken, dan werd hij als cliënt van zijn voormaligen heer lid der maatschappij, waartoe deze behoorde.

b. Vrijlating in de kerk.

De Kerk, die zich onmisbaar wist te maken bij alle aangelegenheden van het menschelijke leven, van de geboorte tot het graf en

1) Appendix Marculfl, No. 24 (III, p. 355/6).

2) Lex Ribuariorum, tit. LXI1, c. 2 (I, p. 185), waar het wel eenigszins minachtend is uitgedrukt (tune ducentos solidos valeat).

3) Zie de aanhaling uit Plautus op blz. 38.

4) Lex Ripuariorum, tit. LXI, c. 1—3 (I, p. 184/5).

41

Sluiten