Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

zelfs nog daarna, speelde ook een rol bij de vrijlating, zooals boven is gebleken. Onder haar invloed was deze reeds ingesteld door keizer Constantijn den Groote, den eersten keizer, die het christendom omhelsde. „Reeds lang", zegt hij in een zijner decreten, „hebben wij goedgevonden, dat heeren hun slaven in de openbare kerk de vrijheid mogen schenken, als zij dit doen in tegenwoordigheid der gemeente en der hoofden van de christelijke geestelijkheid, zoodat ter herinnering aan dit feit in plaats van acten een geschrift worde vervaardigd, dat zij zeiven als getuigen onderteekenen" 1). Dit werd dan in een register opgeteekend (tabula) en in het archief der kerk bewaard ; waarom dergelijke vrijgelatenen ook t a b u 1 a r i i werden genoemd. In een ander edict zegt Constantijn: „Niet alleen de slaven, die tot geestelijken zullen worden geordend, moeten in de kerk vrijgelaten worden; elkeen, die tot heil zijner ziel een slaaf de vrijheid schenkt, behoort dit in een kerk te doen". In navolging daarvan schreef een capitulare van 813 voor: „Wie een slaaf door hantrada (uit de hand) wil vrijmaken, moet hem in een heilige plaats met eigen hand en die van 11 medehelpers de vrijheid schenken" 2), d. w. z. de vrij te latene moest door de handen van verscheidene vrije mannen gaan en door elk hunner worden vrijgelaten 3). De Ribuarische wet schrijft nauwkeurig voor 4), hoe zulk eene vrijlating in de kerk moest plaats grijpen: „ Wil een vrij-man of een vrijgelatene (t a b u 1 a r i u s) voor het heil zijner ziel of voor geld een slaaf volgens de Romeinsche wet vrij maken, dan moet dit geschieden in de kerk in tegenwoordigheid der priesters, der diakenen (aspirant-priesters) of van den geheelen clerus en van het volk; hij zal dan zijn slaaf met een daartoe strekkend schriftelijk verzoek aan den bisschop overgeven". Het verzoekschrift kon ongeveer luiden: „Bij dezen verzoek ik uwe zaligheid (beatitudo) mijn slaaf N„ wiens trouw ik in alle opzichten heb ondervonden, het voorrecht van het Romeinsche burgerschap te verleenen, van wiens vrijlating ik niet zoozeer de dader als veeleer de getuige ben". Op ontvangst van dit request gelastte dan de bisschop den aartsdiaken een vrijbrief te doen uitschrijven „volgens de Romeinsche wet, waaronder de kerk leeft"; waarna de slaaf met al zijn nakomelingen voor altijd vrij en onder de bescherming der kerk moest blijven. „Geen op deze wijze vrijgelatene veroorlove zich", wordt erbij gevoegd, „een voetval voor den koning te doen (ten einde grootere vrijheid (ingenuitas) te verkrijgen), op ■ een boete van 200 sol., terwijl daarenboven hij zelf en zijn nakomelingen tabularii zullen blijven".

De vrijbrief kon verschillende vormen aannemen. Zoo luidt een opschrift in de H. Kruiskerk te Orléans: „Door de gunst van het H. Kruis, van bisschop Johannes en van Hubert, kossaat 5) van het H. Kruis, is (de slaaf) Lambert vrij gemaakt. Getuige daarvan is deze gansche gemeente". Een andere vrijbrief, berustend in het archief

1) 1. 1. C. de his, qui in ecclesiis manumittuntur (I, 13).

2) Derde Capit. 813, c. 10 (II, p. 265). Vgl. Lex Ripuariorum, tit. LVIII, c. 1.

3) Noordewier, Nederd. Regtsoudh., blz. 136.

4) Lex Ripuariorum, tit. LVIII, c. 1-8 (I, p. 180/1).

5) Men zie du Cange i. v. cossatus.

42

Sluiten