Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Birgel, al mocht hij het burgerschap van Frankfort verkrijgen, lijfeigen (attinens cum corpore, scilicet proprius de corp o r e) van het St. Peters-stift te Mainz te zullen blijven en al zijne verplichtingen als zoodanig- te zullen nakomen 1).

Het klooster Gerden stichtte in 1319 een stadje van denzelfden naam. In de daaraan verleende stadrechten werd bepaald, dat de volschuldigen en wastynsigen des kloosters zich daar mochten vestigen, zonder dat daardoor hun staat beter of slechter zou worden 2).

De graaf van Ravensberg veroorloofde in 1343 den eigenheden van zeker klooster zich te vestigen in zijne stad Bielefeld en daar het burgerrecht te verkrijgen, doch bij hun overlijden behield het klooster zijn recht op hunne roerende goederen, „gelijk met andere laten (litones) het geval is". De onroerende goederen mochten de erfgenamen binnen een jaar verkoopen; het heergewaad (krijgsuitrusting) behield de graaf voor zich, vrouwentooi (gerade) kwam aan de gravin 3).

Nog in 1512 verbood de abt van Fulda den magistraat van het stadje Hammelburg aan iemand het burgerschap te verleenen, die niet onder eede kon verklaren, „das er nicht leibeygen sey und keine nachvolgende herschaft, der er leibshalben verwandt, habe." Een vrije, die zich in lijfeigenschap begaf, moest uit de stad gewezen worden, terwijl zij, die op dien tijd nog onvrij waren, ook in het vervolg geene stedelijke ambten zouden mogen bekleeden 4).

Het oude, in 1558 overgeschreven, keurboek van Doetinchem bedreigde met een boete van 20 pond allen, „die sich an ander herscap avergeve(n)" 5).

15. HOFWEZEN EN HOFHOORIGHEID.

Geen der oude geschiedschrijvers, die de verovering van onze gewesten door de Franken beschrijven, heeft vermeld, hoe zij handelden met het veroverde gebied en met de landzaten. Men schijnt echter te mogen aannemen, dat zij zich niet twee derden van den bodem toeëigenden, gelijk de Bourgondiërs en West-Gothen hadden gedaan. Zij namen hoofdzakelijk in bezit hetgeen Romeinsch staatsdomein geweest was, en de door den oorlog en het uitwijken der bewoners ontvolkte streken, terwijl ook al het nog niet onder cultuur gebrachte land tot domein werd gemaakt 6). Van het geannexeerde land ontving ieder vrij man zijn deel, de eene meer, de andere minder, naarmate van stand, verdienste en vorstengunst. Uitgebreide

1) Kindlinger, a. w., No. 45. 2) Kindlinger, a. w., No. 67.

3) Kindlinger, a. w., No. 91.. 4) Kindlinger, a. w., Nos. 198, 199.

5J Sloet. Van Al's, blz. 176 j°. 157.

6) Deze opvatting werd nog gehuldigd aan het einde der 13de eeuw. In een vonnis over recht op gemeene gronden verklaart de Roomsen-koning Rudolf in 1291, dat het gericht uitspraak heeft gedaan over de vraag, of een landheer volgens oude gewoonte recht heeft om zulke gronden in zijn gebied te verpachten en uit te geven en of iemand hem dat kan beletten. De uitspraak luidde, dat dit oude gebruik behoorde te worden geëerbiedigd ten eeuwigen dage (Nijhoff, Gedenkw., I, No. 32).

Sluiten