Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57

Wat de abdij van Prüm van hare hofhoorigen eischte, volgt hier in het gemoedelijke nederduitsch van het oorspronkelijke: „Dan sal der man vamme hause minen hern ein bedde sprieden, da mins heren gnade up rasten moge. Kan he nit gerasten vor geschrei der vorschen, so sind lude im kerspel, die ir erf und guter darof h a n t, dat sie de vrosche stillen sullen, dat mins heren gnade rasten moge" 1).

Behalve de reeds genoemde rustten nog andere lasten en verplichtingen op de hofhoorigen. Graaf Otto van Gelre schold in 1250 ten behoeve van het klooster Bethlehem bij Doetinchem verschillende verplichtingen kwijt, die op 's kloosters goederen rustten, als: 7'/2 malder koppelkoorn, 2 sol. ploegbede, 2 sol. telkenmale als er „rumething" 2) is, en herberg (d. i. de verplichting om den heer of diens vertegenwoordiger op bepaalde tijden te huisvesten), benevens „vogetgelde" (d. i. een tyns, die aan den voogd moest worden betaald) 3).

Op sommige Geldersche hoven erfde de heer de gansche nalatenschap van den hof hoorige, gereed en ongereed goed; soms echter konden de erfgenamen haar door betaling van eene bepaalde som lossen 4).

Stierf de bezitter van een hofhoorig goed, dan kreeg de oudste zoon de „saalweer" 5), terwijl de overige- goederen gelijkelijk verdeeld moesten worden onder de andere kinderen. Ieder betaalde naar gelang van zijn aandeel mede in de op het goed rustende lasten. Op 's hertogen goederen in Gelre (Geldern) kwam de helft der nalatenschap aan den heer. Bij een sterfgeval — zoo wordt in 1473 gezegd — mag de hertog alle gereede goederen aanvaarden, als contant geld, korenschulden, paarden, koeien en andere „havelike" gereede goederen, maar niet „erve" (grondbezit) en huisraad, dat voor „erve" gerekend wordt, tenzij de hertog den erfgenamen „gratie" 6) daarvan wil doen. Van eigenhoorigen, die buiten de stad op hoorige goederen kwamen te overlijden, werd hetzelfde gevorderd bij taxatie door de schepenen der voogdij, die daartoe beëedigd waren. Dit alles was eveneens van toepassing op eigenhoorigen, die in andere deelen van het gewest, ja zelfs in vreemde landen kwamen te sterven 7).

In sommige hoven en serviele goederen in de Graafschap had de heer bij overlijden van den hoorige, hetzij man of vrouw, recht op de helft der gereede nalatenschap, „tot eenen lepel toe". Hij

1) Wichtericher Weisthum, in Grimm, Rechtsalterth., IV, S. 350. Dezelfde verplichting rustte op de hofhoorigen van zekere abdij in Savoye bij het meer van Bourget. Zie over dezen en andere diensten Noordewier, a.w., blz. 144—148.

2) De verklaring van dit woord is niet te vinden. Misschien = r u m i n g e, bij Verwijs en Verdam, waaraan nog toe te voegen is eene andere beteekenis, die door van Spaen, Inl., IV, blz. 260, wordt gegeven.

3) Sloet. Oork.bk., No. 712. 4) Schrassert, Cod. Gelro-Zutph., III, blz. 268. 5) Noordewier, a.w., blz. 125, 197; Schrassert, a.w., II, blz. 199.

6} Deze gratie bestond hierin, dat het recht van versterf mocht worden afgekocht met 1/4 van de waarde van het goed, doch bij plakkaat van 11 Juni 1681 werd dit weder verhoogd tot „de rechte helft".

7) Henrichs, a. w., S. 10.

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Sluiten