Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

16. VRIJE EN ONVRIJE GOEDEREN.

Hierboven is opgemerkt, dat het Frankenvolk voor een aanzienlijk gedeelte bestond uit groote en kleine grondbezitters. De kleine namen echter spoedig in aantal af door den druk der staatsverplichtingen, bovenal van den heerban. Zij geraakten allengs in schulden bij de groote en vooral bij de koninklijke ambtenaren, die meestal tot de grootgrondbezitters behoorden. Den geruïneerden bleef dan geen andere keuze dan pachters te worden van hun voormalig eigendom, dat aan den ambtenaar of den geldschieter-grootgrondbezitter was overgegaan. Al hielden zij daardoor niet op vrije mannen te zijn, toch brachten de omstandigheden en vooral de knevelarijen der machtige schuldeischers hen eerlang in een toestand, die maar weinig verschilde van dienstbaarheid. Zij zagen zich genoodzaakt goederen aan te nemen tegen tynsen, zij werden tynsplichtig, tynsgenooten.

Er bestonden drie soorten van tynsplichtigen: lo. de zwaarst gedrukte, die producten en geld moesten opbrengen en tot eenige dagen arbeid verplicht waren; 2o. die jaarlijks een zeker bedrag moesten betalen, en 3o. de tynsplichtigen der Kerk, die jaarlijks eene bepaalde hoeveelheid was moesten opbrengen (zie onder W a st y n s i g e n).

Aangezien in vroegere tijden aan geldelijke verplichtingen, men kan wel zeggen in den regel, zeer slecht werd voldaan, waren de bepalingen omtrent het betalen van tynsen zeer streng. Toen Diederik Lam in 1279 van het kapittel van St. Marie te Utrecht een halven mansus te „Larshem" onder den hof Selhorst 1) tegen een tyns van 8 sol. 's jaars in erfpacht ontving, geschiedde dit op voorwaarde dat, wanneer hij de pachtsom niet binnen 8 dagen na St. Maarten in den Winter (den vervaldag) op den hof betaalde, de dubbele som binnen een week moest zijn voldaan; geschiedde dit niet, dan werd de banvloek over hem uitgesproken door den ordinarius (den bisschop), terwijl .hij' desniettemin de dubbele pacht had te betalen 2). Uiterst hoffelijk daarentegen was Godelindis, abdis te Elten, bij het overgeven in 1288 aan heer Hendrik van Borculo van akkers, behoorende tot het huis Wedersche 3), tegen een jaartyns van 1 kleinen penning. Mocht hij door vergeetachtigheid verzuimen op den bepaalden tijd te betalen, dan zou hij geen zijner rechten verliezen, tenzij hij na behoorlijke aanmaning nog steeds in gebreke bleef (dare non curaret) 4). Wat bij zulk eene hardnekkige nalatigheid zou geschieden, wordt evenwel niet vermeld.

Streng waren ook de bepalingen betreffende de tynsplichtigen van het klooster Weingarten in 'Westfalen, dagteekenend uit de 9de en vernieuwd in het laatst der 11de eeuw 5). Wanneer een hunner bij het bereiken van de mondigheid verzuimde zijn hoofdgeld te betalen, ook na de derde aanmaning, dan verviel hij in lijfeigenschap (in proprietatem transeat). Zulk een bezat nog

1) Oude naam van Harderwijk.

2) Sloet, Oork.bk., No. 1008. 3) de Wierse onder Vorden. 4) Sloet, a.w., No. 1148. 5) Kindlinger, a.w., No. 2, § 2.

Sluiten