Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een erfelijk tynsgoed voor 100 mark „oude brabans". Jaarlijks zou elke „hove", „nadat si loept", 1 mark betalen, behalve de novale tienden (roetyende). Tevens schonk hij allen, die op dat land zouden wonen, dezelfde rechten als de ingezetenen van Oldebroek genoten 1).

Onder Brummen ontvingen in 1331 een aantal gevrijde eigenhoorigen van graaf Reinald II tegen betaling van een jaarlijkschen erftyns het bezit van meer dan 327 morgen land, met de bedoeling dat zij dit zouden ontginnen; de malen van Brummen kregen 20 hoeven 2) 7 morgen 1 hont, elke hoeve met 10 schellingen 8 penningen te vertynsen buiten de tienden 3).

De Geldersche vorsten bezaten 13 of 14 volschuldige eigengoederen op de Veluwe. Wanneer de bezitter van een dier goederen stierf, verviel de helft van het gereede goed, dat zich dan op het goed bevond, aan den heer 4). Volschuldige, halseigen goederen mochten alleen door personen van die klasse worden bewoond.

Den 7 Maart 1559 werd een plakkaat uitgevaardigd betreffende zulke goederen te Nykerk en te Putten. Het was vroeger gebruik, wordt daarin gezegd, dat de keurmeester van Veluwe die goederen jaarlijks of om de 2 jaren bezocht en dan alle „persoonen, die doen by denselven keurmester bevonden worden (nae de guederen ongequalificeert ziinde) eenige halsseygen guederen bezittende ende gebruyckende, dieselve daertoe hiel ende bedwonge sich te moeten maecken ende gheven volschuldich eygen nae den goede, zoe dat behoirde". Verder: het keurmeesterambt was sedert omstreeks 1548 met het rentambt van Veluwe verbonden geweest; tengevolge daarvan was minder acht op die goederen geslagen; zoo waren nu sommige in het bezit gekomen van vrije personen, die het versterf niet betaalden en wier op die goederen geboren kinderen vrij waren. Dit was wederrechtelijk, want men volgt de natuur van het goed, dat men bewoont. Ten einde nu die goederen „in esse" te houden werd bevolen op Zondag na Quasimodo en op dien na Misericordia in de kerken van Nykerk en Putten bekend te laten maken en op de kerkdeuren te doen aanslaan, dat al degenen, die hoorige goederen bezaten, zich binnen zes weken moesten aanmelden bij den keurmeester, ten einde zich daar „to maecken und to geven volschuldich eyge nae natuere des guets", en als zoodanig te worden ingeboekt. Wie aan dit bevel geen gehoor gaf, zou het goed ten bate van den landsheer verbeurd zien verklaren 5).

17. LIJFEIGENEN EN HOORIGEN.

Het verdwijnen der slavernij was een gevolg van velerlei oorzaken, waaronder in de eerste plaats wellicht het christendom mag worden gesteld. Hoewel noch in het Oude noch in het Nieuwe

1) Nijhoff, Gedenkw., I, No. 197. Een ander voorbeeld geeft No. 307 (1335).

2) Hoeve, mansus, veelal berekend op 16 .morgen.

Het woord man sus werd ook gebruikt als synoniem van hof; vgl. Sloet, Oork.bk. No. 51 (863).

3) Nijhoff, Gedenkw., I, No. 285.

4) Schrassert, a. w., II, blz. 329.

5) Groot Gelders Placaet-boeck, 1, kol. 255.

62

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Sluiten