Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

legen goederen der abdis van Elten, waarin o.a. voorkomt, dat sedert de gevangenschap van hertog Adolf de eigenheden het recht van versterf en van het volschuldige goed niet meer hadden betaald en dat door hertog Arnold indertijd was uitgemaakt, dat „de eigen-luiden toe Elten, hoorende in den hove toe Appel, den rechten van oeren goeden ende lieve geholden sullen wesen" 1).

Er bestaan voorbeelden in overvloed, dat personen zich in hoorigheid begaven, meestal van kerken en geestelijke gestichten. Hier haal ik aan een acte uit het jaar 1405, waarbij een vrij man, om bescherming te genieten, zich eigen maakt van een adellijk heer. Zij is merkwaardig om de krasse wijze, waarop de staat van dienstbaarheid is uitgedrukt. Arnold van Werod dan begeeft zich welbedacht en geheel vrijwillig, ongedwongen en ongedrongen, levenslang, „zu rechter eygenschafft" (in echte hoorigheid) der heeren van Schöneck, „dass ich ire recht eygen, angehörige arme man sal siin" en nooit een anderen heer zal zoeken. Daarvoor zullen genoemde heeren hem evenals hun andere eigenhoorige arme lieden beschutten, beschermen en voor hem verantwoordelijk zijn. Hij zal daarvoor jaarlijks op Petri ad Cathedram V? gulden betalen, den heeren gehoorzaam zijn en hun „te dienst en gebod staan" 2).

Vrij eigen. Van de bewoners van het door graaf Reinald in 1298 gestichte Staveren op de Veluwe zegt de graaf in den stichtingsbrief: „Omdat onze stedelingen vrije menschen zijn, die gewoonlijk vry eygen lude genoemd worden" enz. Toch waren zij niet geheel vrij, want de vorst bepaalde, dat zij geene goederen mochten bezitten buiten of op de Veluwe, tenzij zij zich met al hunne goederen aan de rechten en statuten van Staveren verbonden; en dat zij hun kinderen niet konden beërven, tenzij zij burgers van Staveren waren 3).

De verplichtingen der hoorigen waren zeer verschillend, ^ maar kwamen toch in hoofdzaak met elkander overeen. „Horigh," zegt Schrassert, „worden in het generael genoemt alle personen, tot enige servile rechten ofte conditie staende". Zij hadden een heer, wien zij gehoorzaamheid en onderdanigheid verschuldigd waren, wien zij „te verbot ende te gebot" stonden, en wien zij schatting van verschillenden aard hadden te betalen. Aan den anderen kant behoorde hun heer hen te beschermen en te verdedigen.

Op de aan de abdij Abdinghof te Paderborn behoorende hoven te Putten en te Renkum werd in 1152 het oude hofrecht verbeterd en vastgesteld als volgt. De hofhoorigen hadden te betalen bij huwelijk met een hofgenoot (infra familiam) 4 sol.; trouwden zij met een hoorige van elders, dan werd betaald volgens overeenkomst. Elke man en vrouw was 2 den. hoofdgeld verschuldigd, uitgezonderd kinderen die nog in het ouderlijke huis woonden; dezen waren ook vrij van keurmede. In plaats van vroegere hofdiensten betaalde men 4 „talenta" benevens 30 sol. aan den voogd. Zij, die vroe-

1) Schrassert, a. w., II, blz. 45. 2) Kindlinger, a. w., No. 149. 3) Nijhoff, Gedenkw., I, No. 53.

Sluiten