Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

71

De meerderheid der overige dienstmannen was op het land en de hoven te vinden. „Zij, die zich van de hofhoorigheid hebben losgekocht", zegt Schrassert, „worden dienstmannen genoemd; zij zijn verplicht hunnen heer ten gebod en verbod te staan" 1).

In 1365 vormden de landzaten van den bisschop van Utrecht de zoogenaamde „echte" (= stand) der dienstmannen. Zij waren verplicht aan krijgstochten deel te nemen. Hun hof werd een „recht setelgoed" genoemd ofwel „hovemanszate" 2). Bij gerechtelijke transacties, ordelen en dergelijke van den bisschop komen zij met de laten ook vaak als getuigen voor 3). Werd de dienstman uit zijn „echt" ontslagen, d. w. z. verkreeg hij de vrijheid, dan werd hij een „simpel vrije landzaat". Omgekeerd konden de landzaten zich inkoopen in de „echte" der middelvrijen 4).

In 1116 gaf Baudewijn VII van Vlaanderen uitvoerige bepalingen omtrent zijn dienstmannen. Op de twee heilige dagen van St. Amandus (beschermheilige van Vlaanderen) werd aan elk hunner Vs quartarium bier geschonken. Zij behoefden geen heerendiensten te verrichten, terwijl hun vele vrijheden werden toegekend 5).

Over de dienstmannen van stiften en geestelijke heeren zie men Matthaeus, De nobilitate (1686).

De dienstmannen bezaten een eigen rechter 6) en rechtbank. „Alle dienstluden unses stichtes van Utrecht die sint nicht schuldich te rechte te staen voor dagelicks gherichte" 7). In 1348 verklaarde Fredericus nobilis de Baere, richter der ministerialen in het land van Gelre (terra comitis Gelrie), met den richter en schepenen van Zutphen, dat de parochianen der Nieuwstad (van Zutphen) zekeren tiend ten behoeve der kerk aldaar hebben gekocht8). Hendrik jonker van Borculo verkocht in 1251 eenige zijner goederen „ten overstaan zijner dienstmannen en der burgers van Groenlo" 9); in dit geval is het niet zeker, wie men onder dienstmannen heeft te verstaan, vermoedelijk echter woonden zij op de verkochte goederen. Met de hoven konden zij worden verkocht of weggeschonken. Sloet geeft daarvan een voorbeeld, hoe graaf Gerard in 1118 sommige goederen zonder de dienstmannen (exceptis meis ministerialibus) schenkt, een ander met één ministeriaal en zijn beneficium (leengoed) 10). Desgelijks gaf Heidenryk, Domkellenaar van Mainz, in 1156 4 zijner eigenhoorigen, nl. drie zoons en eene dochter van eene zijner eigenhoorigen, aan het klooster St. lacobsberg als dienstmannen dier abdij 11). In 1170 verzocht een aantal personen, die door verschillende omstandigheden opgehouden hadden dienstmannen der abdij van Ziflich te zijn, als zoodanig weder te worden toegelaten. Nadat zij voor

1) Racer, Overijss. Gedenkst., II, blz. 114 vlg.

2) Sloet, Oork.bk. No. 409 (sic). Vandaar „havezate"?

3) Racer, a.w., blz. 115 (1175).

4) Racer, a.w., IV, blz. 164. 5) Miraeus, Opera diplomatica, II, p. 1150. 6) Vgl. Sloet. Oork.bk., No. 953. 7) Winolf, I, 11 vlg.

8) Tadama, Tijdrek. register van alle oork. i. h. stedel. archief te Zutphen, No. 48.

9) Sloet, Oork.bk. No. 729. 10) Sloet, Oork.bk., No. 232.

11) Kindlinger, Gesch. der d. Hörigkeit, No. 10: ad consortium et ius, quo ministeriales illius abbatiae funguntur.

Sluiten