Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

73

register van Prüm schijnt wel dezelfde klasse te bedoelen, waar het spreekt van absi, „mannen uit onze familia, die ons toebehooren, maar geen mansus hebben". Of wel de hagestolt kocht zich vrij van den hofdienst en ging, ongehuwd zijnde, zijn fortuin elders zoeken. In de steden werden zij reeds in de 11de eeuw aangetroffen. Dat zij desniettemin schatplichtig bleven, is ons boven bij de hagestolten van Deventer en Erkelens gebleken. Die van Prüm waren van beiderlei kunne, die van Deutz eveneens; daar betaalden de mannen 12, de vrouwen 5 penningen.

Het middelnederlandsch noemt hen ook loepluyden. In de hofrechten van Keppel (1370) wordt aangaande ongehuwde loepluyden gezegd, dat bij hun overlijden de heer al hunne gereede goederen aan hunne erfgenamen laat; doch de uit het goed verworven vaste goederen weder aan het goed moeten komen; waren zij daarentegen van anderen oorsprong, dan mochten de erfgenamen ze aanvaarden 1).

Eenloppenlude, eene andere benaming voor deze menschen, werd woordelijk in het latijn vertaald met s o 1 i v a g i. Bij de schenking der hoven Altinge 2), Velp en Rijnwijk door graaf Balderik in 1003 aan de kerk van Deutz wordt gezegd, dat „de man, die daar s o 1 i v a g u s wordt genoemd", hem jaarlijks 11 penningen placht te betalen en de vrouw desgelijks 3). Het enkelvoud is daar natuurlijk slechts generiek gebruikt: er zullen wel meer dan één eenloopende man en vrouw geweest zijn.

In een protocol van den hof te Bredevoort (1506) worden deze lieden „ongebonden, enlopende4) (d. i. eenloopende) personen genoemd 5). Zij schijnen daar vrijheid van schatting te hebben genoten; alleen was de man 1 pond peper en de vrouw 1 pond was aan den heer verschuldigd en beiden (?) 1 paar (?) laarzen aan den ambtman (den ambtman zijn leersen).

Dat de hagestolten ver van zeldzaam waren, blijkt voldoende uit het groote aantal namen, waaronder zij bekend stonden. Behalve de bovengenoemde, geeft Grimm nog 6): einleuftige, einleft ig e, enlopende, einselier, einlazige, einlitzige, einluckige, einbrodige, hofstolte, sonderleute, waaraan men nog kan toevoegen: usvertige, uswendige, wildfange, hintersedel. De door Grimm hier ook genoemde advenae en non residentes moeten m. i. liever tot de gasten worden gerekend. Ook het middeleeuwsche latijn is rijk aan benamingen voor hen: singulares, dispersi, non casati, extravagantes, extra n e i enz.

Iets dergelijks schijnt ook in Frankrijk te hebben bestaan: daar had men het synonieme woord baccalaria, door du Cange (I, p. 509) omschreven als een „soort van boerengoed", ook baccalaria indominicata.

1) Schrassert, Codex Gelro-Zutph., II, blz. 316.

2) Eltinge (tegenw. gem. Duiven); zie Bijdr. en Meded. Gelre, XXIV, blz. 178.

3) Sloet, Oork.bk., No. 127. 4) Sloet heeft: en lopende.

5) Sloet, Van Al's, bez. 196.

6) Weisthümer, VII (Register), S, 311, i. v. Ledigeleute.

Sluiten