Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

beurden zij een emmer bier en een bokkehuid. Wie deze boete niet binnen het jaar betaalde, verviel tot den staat van belmundigheid, d. w. z. hij verbeurde „syne gerechtycheyt in den hofrechten und woert na siin leven eygen" 1); daardoor verviel zijne gansche nalatenschap aan den heer.

Desgelijks werden zij aangetroffen in Westfalen : du Cange (II, blz. 51) geeft eene aanhaling uit de wetten van Teckelenburg, inhoudende, dat, indien een ministeriaal een onecht kind verwekt bij eene onvrije vrouw, dat kind een kamerling is. Bij een wettig huwelijk van twee zulke personen evenwel is het kroost vrijgeboren.

De abt van het klooster Liesborn in Westfalen bepaalde in 1166 aangaande de tot dat convent behoorende kamerlingen, dat zij bij huweüjk met personen van hun stand of met dienstlieden van het klooster een gouden penning (nummus) of een bokkevel moesten geven en bij overlijden het beste stuk roerend goed aan het klooster verviel. Trouwden zij echter met personen van minderen stand (slavinnen resp. slaven), dan zouden hunne kinderen nog de rechten der ouders genieten, maar de verdere nakomelingschap als slaven (iure mancipiorum) aan het klooster behooren. Zij moesten halven tyns en zoogenaamde „bedemunt" (nuptialia commoda) betalen, maar van de diensten der laten (servitio litonum) bevrijd blijven. In den kloosterhof moesten zij alle diensten verrichten behalve kleederen wasschen 2).

In eene verzameling aanteekeningen uit de jaren 1602—1619, berustend in het rijksarchief in Gelderland te Arnhem, leest men het volgende: „Dat op de Veluwe bevonden worden personen, die volstrekte halseigen zijn, welke conditie medebrengt, dat den heer van den lande na hun afsterven toekomen alle hunne nagelatene goederen, als versterf en erfenis vervallen aan de heeren Staten dezes lands van Gelre;

item, wanneer zoodanige lieden komen te trouwen met eene vrije dienstvrouw, dat alsdan de kinderen, uit dat huwelijk komende, genoemd worden kamerlingen."

De oorsprong der benaming kamerling is, dat dergelijke personen aan de kamer of fiscus behoorden. Zoo leest men in de rekening van een rentmeester van Veluwe omtrent een man en eene vrouw, dat zij behoorden in „miins vrouwen (d. i. de hertogin) kamer."

Camerlinc-gelt noemde men hetgeen de nieuwe leenvolger of leenvolgster den heer verschuldigd was, wanneer een leen door overeenkomst (wandelcoop) of door overlijden (sterfcoop) in andere handen overging 3).

25. KERKSLAVEN EN -HOORIGEN.

De Frankische vorsten, die om verschillende redenen groot gewicht hechtten aan de invoering van het christendom in hun rijk, steunden

1) Racer, a. w. II, blz. 44, 246.

2) Schrassert, a. w., § 6. Vgl. Schrassert, Codex, II, blz. 321 vlg.: Van den rechten der kamerlingen, anders genoempt koermidschen.

3) Middelnederl. woordenboek, i. v.

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Sluiten