Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

50 mijlen ver moesten zij karredienst verrichten; meer mocht van hen niet worden geëischt. Aan het heerenhuis, den stal, den hooiberg en de graanschuur (s p i c a r i u m) zouden zij die hérstellingen hebben aan te brengen, welke billijkerwijze van hen konden worden gevorderd; en waar het noodig was, moesten zij alles in orde brengen. Zij zouden tyns betalen naar de mate hunner gesteldheid, en 3 dagen per week voor zichzelven en 3 dagen voor den heer arbeiden. Had deze hun ossen of andere zaken gegeven, dan moest de slaaf zooveel dienst verrichten, als hem mogelijkerwijze kon worden opgelegd, „maar men moest niemand onrechtvaardig onderdrukken".

De kerkslaven der tweede categorie moesten vrijgelaten zijn, In 711 geeft Ansbald aan bisschop Willebrord van Utrecht goederen in Teisterbant „met degenen, die daarop wonen, benevens 10 servi e n t e s" (dienaars, bedienden, wel te verstaan als vrijgelaten slaven) 1). Eenige jaren later geeft graaf Ebroin goederen aan de kerk te Rindern, o.a. de kerk van Millingen met al wat daartoe behoorde, „en onzen slaaf (servus, niet mancipium) Folchar, die daar dient (serviens ibidem) met vrouw en kinderen" 2). In 1245 gaf graaf Herman van Loon aan het klooster Bethlehem de kerk te Varsseveld met de mannen (homines) van St. Pancras en St. Odulf 3). Zoo ontving de abdij te Cluny in 1212 twee gezinnen van slaven ten geschenke „om op de plaats zelve te dienen, de kaarsen aan te steken" enz. 4). Slaven, voor dergelijke diensten bestemd, konden slechts worden aangenomen, wanneer zij van hunne meesters de volkomen vrijheid (ingenuitas) hadden ontvangen, welke vrijlating plaats moest grijpen in 's konings tegenwoordigheid. Dit laatste bleef hier te lande zelfs gebruikelijk, eeuwen nadat de volkomen vrijlating in onbruik was geraakt. Nog omstreeks 1256 verklaarde graaf Otto van Gelre, dat zekere heeren in zijne tegenwoordigheid de vrijheid hadden gegeven aan een aantal hunner slaven (s e r v i), die zij der kerk van Marienfeld (Westfalen) aanboden 5).

Toch genoten dergelijke slaven en hoorigen slechts eene beperkte mate van vrijheid. Dit blijkt uit de bewoordingen eener oorkonde van 1020, waarbij zekere vrije vrouw Meinza hare vrijheid vrijwillig opoffert (cum bonavoluntateobtulit) „aan God en den heiligen martelaar Adalbert" te Aken, ten einde een hoorige (serviens) van dat stift te kunnen huwen. Zij onderwerpt zich „aan de wet der wettige dienstplichtigen" (legem legitimorum servientium), die geen hoofdgeld betalen noch het placitum van eenigen voogd behoeven bij te wonen. Bij bezegelde acte verbindt zij zichzelve en hare gansche nakomelingschap tot het nakomen van alle op de servientes van het stift rustende verphchtingen 6).

Het lot der kerkslaven was gunstiger dan dat hunner gelijken, die aan wereldlijke personen toebehoorden. De Ribuarische wet stelde

1) Sloet, Oork.bk., No. 3. 2) Sloet, a. w., No. 6.

3) Sloet a. w., No. 650.

4) Cartul. de ïabb. de Cluny, No. 178.

5) Sloet, Oork.bk., No. 782.

6) Sloet, a. w., No. 148. Vgl. No. 819 en Sloet, „Van Al's", blz. 272.

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Sluiten