Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

87

te blijven (des heeren wil hebben), bij een sterfgeval het goed alleen tegen een bepaalde som weder kunnen verkrijgen, vele diensten moeten verrichten en jaarlijks ongelden betalen 1).

Dit recht, waarvan geen. spoor te vinden is in de oude wetten noch in den Saksenspiegel, hoewel een voorbeeld ervan reeds voorkomt in 765, schijnt wel een overblijfsel uit den tijd der slavernij: wat de slaaf naliet, verviel aan zijn heer.

Gewoonlijk werd als keurmede genomen het beste paard, de beste koe of een ander stuk vee of ook wel huisraad. Was er geen levende have voorhanden, dan moest men zich tevreden stellen met een weefsel, het beste gewaad of een stuk huisraad. Ook al lagen de bezittingen van den keurmedige buiten het gebied van den hof, waartoe hij behoorde, toch moest na zijn dood de keurmede worden betaald.

Omtrent het versterf van kinderen verschillen de bepalingen. Hoewel dezen niet konden gezegd worden eenig bezit te hebben, werden zij toch op sommige hoven als keurmedig beschouwd. Een artikel in de rechten van het klooster Weingarten (in Schwaben) b.v. stelde vast, dat men uit de nalatenschap van alle kinderen, die in het ouderlijke huis kwamen te sterven, keurmede moest betalen. Zelfs van het kind, dat in de wieg stierf, moest keurmede worden afgestaan van de geschenken, die het van zijne peetouders had ontvangen 2).

Eene andere regeling gold volgens een verdrag van 24 November 1316 in den hof te Putten, waar de abt van Paderborn het recht van keurmede bezat. Bij den dood der daaronder behoorenden ontving de abdij een keur, d. w. z. „dat beste van peerden, van koeyen off van anderen beesten off van klederen, off dat in gelde (golde?) off in silver gesien wort". Dit was evenwel niet van toepassing bij den dood van kinderen, die in het ouderlijke huis stierven en nog onder de ouderlijke macht verkeerden. Evenmin mocht men een keuze doen uit die paarden, welke op des abts goederen waren gezet om den heer van den lande te dienen 3).

In 1275 onthief graaf Reinald van Gelre zekere hoven in het Zutphensche van de lasten, hun door zijn vader onrechtmatig opgelegd. Waarin deze lasten bestonden, meldt de oorkonde niet. In plaats daarvan werden zij nu wastynsig en keurmedig gemaakt. Zij moesten jaarlijks op St. Maarten in den Winter op 's graven hof te Zutphen 4 deventer stuivers betalen, en na overlijden van den bezitter zou de keurmede uit het huis worden gevorderd, „zooals de algemeene gewoonte van ons land medebrengt" 4). Deze woorden bewijzen voldoende, hoe algemeen de keurmede in Gelderland destijds was. Het veer over den Rijn te Arnhem behoorde in de 13de eeuw aan het kapittel van St. Pieter te Utrecht. Toen in 1287 de veerman was overleden, verleende het kapittel de erfpacht daarvan aan diens weduwe en hare 4 dochters onder de voorwaarde, dat zij haar recht niet mochten overdoen dan aan een keurmedige

1) Schrassert, Codex, II, blz. 272. 2) Kindlinger, a. w., S. 220. 3) Schrassert, Codex, II, blz. 28. 4) Sloet, Oork.bk.. No. 965.

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Sluiten