Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

in pacht van den proost van Werden. Hij was niet keurmedig en kon dat ook niet worden, daar hij eigen van een anderen heer was. De uitweg, dien het hofgericht in dit geval vond, luidde, dat hij het goed mocht blijven behouden, op voorwaarde dat zijn oudste zoon bij meerderjarigheid keurmedig zou worden gemaakt volgens de rechten van het goed 1). Sloet geeft een acte van 1461, waarbij een keurmedige ontslagen wordt, terwijl diens vader in zijn plaats treedt, met de verplichting om zich jaarlijks op den heerenhof te „vertynsen" met een oud butken (een muntstuk) evenals de overige keurmedigen van dien hof 2).

Den 5 October 1548 beval de graaf van Hoochstraten, stadhouder van Gelderland, aan alle bezitters van hofhoorige, keurmedige. wastynsige, volschuldig-eigen, hof-, tyns- en dienst-goederen, of die daar afsplitsingen van hadden, alsmede aan alle personen, „den heere eenighsins verplicht wesende ind toecommende", binnen 14 dagen in het Gravenhof te Zutphen voor commissarissen te verschijnen met hunne brieven en bewijsstukken aangaande die goederen. Zij, die wegbleven, zouden „balmundig ind des keysers volschuldigh eygen" zijn en bovendien gestraft worden 3).

Aangezien keurmedigheid een vorm van dienstbaarheid was, kon geen keurmedige kanunnik van een Utrechtsch kapittel worden, evenmin als „coloni of welke andere schuldplichtigen, die gehouden waren tyns, was, geld, kleederen, paarden en renten, gewoonlijk keurmede genoemd, of andere zaken van welken aard ook op te brengen" 4).

Een register der goederen, keurmedigen" en wastinsigen op de Veluwe van het kapittel van St. Marie te Utrecht van + 1339 5) en de „Verklaringe van de nature der hoorige goederen en luyden in de graafschap Zutphen" van 1653 6) geven eenig denkbeeld van het aantal der keurmedigen.

27. KONINGSSLAVEN EN SLAVEN DER SCHATKIST (SERVI REGIS, FISCALINI).

Deze slaven stonden in hooger aanzien dan de gewone: „p r i n s ep aar den zijn geen beesten", luidt een oud-nederlandsch spreekwoord. Evenals bij de andere slaven bestond ook bij hen het verschil, dat zij öf in het paleis den persoon des konings dienden öf op diens hoven (villae) veldarbeid en handwerken verrichtten. Maatschappelijk schijnen de konings- en de schatkistslaaf op denzelfden trap te hebben gestaan als de laat; met dezen worden zij althans in de wetten steeds gelijkgesteld. Het weergeld voor den koningsslaaf en den laat was hetzelfde, nl. 100 sol. 7). Wanneer een schatkistslaaf of een laat eene vrije vrouw roofde, werd hij met den dood gestraft; een vrije

1) van Spaen. Inl., IV. bladz. 255; Cod. Dipl., No. XXXV.

2) Van Al's, blz. 282/3. 3) Groot Geld. Plac.boeck, I. kol. 43.

4) Buchelius ad Hedae Hist. eccl. Ultrai., p. 225, en Matthaeus, De nobilitate, p. 428. 5) Bondam, Charterb., blz. 510.

6) Schrassert, Codex enz., Stucken enz., blz. 276.

7) 4de Capit. 803 (de lege Ripuariensi). c. 2 (II, p. 184): homo regius, id est fiscalinus, et ecclesiasticus vel lidus interfectus. Vgl. Lex Rip., tit. IX (I, p. 168).

Sluiten