Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

boette deze euveldaad met 621/2 sol. 1). Desgelijks schijnen de schatkistslaven te zijn gelijkgesteld met de coloni: zij mochten hunne zaken persoonlijk voor het gerecht verdedigen en getuigenis afleggen, „maar daarin worde onze (d. i. des konings) eer gehandhaafd, zooals onze voorzaten, koningen en keizers, daarin voorzien hebben" 2). Ook in de Ribuarische wet: wanneer een Ribuariër eene slavin huwde, werd hij haar mede-slaaf, maar trouwde hij eene slavin des konings of der kerk, dan verviel hijzelf niet in slavernij, maar alleen zijn kroost (procreatio) 3). Voor het plegen van gewelddadigheden tegen deze klasse werd een slaaf minder zwaar beboet dan wanneer hij het had gedaan tegen een Frank of een Ribuariër 4). In een ander geval daarentegen worden konings- en kerkslaven zelfs gelijkgesteld met vrijen: wanneer een slaaf zoo n slaaf of een Frank ernstig mishandelde, moest hij voor elke 3 slagen 3 sol. boete betalen 5).

28. LATEN (LIDI, LITI, LITONES, LEDI enz.).

Het woord 1 a e t u s wordt reeds aangetroffen in de 3de eeuw onzer jaartelling in de lofrede van Eumenius op keizer Constans, waarin hij jubelt, dat „de verwaarloosde akkers (in het Moezelgebied) thans door den Frankischen laat worden bebouwd" 6). Bataafsche laeti komen voor in de „Notitia dignitatum" (+ 405). Dit waren door de Franken van hun eiland verdreven kolonisten of wel uitgeweken Bataven, die zich in verschillende plaatsen van het nog onder Romeinsche heerschappij staande Gallië hadden gevestigd 7). In de Salische, Ribuarische, Friesche en Saksische wetten worden zij voortdurend genoemd. In 794 gaf zekere Wrachar eenige landerijen te Wichmond aan den priester Ludger en daaronder het geheele goed, dat zijn „laat" (litus) Landulf bewoonde en bebouwde 8). Het bezittelijke voornaamwoord, in verband met dezen laat gebruikt, bewijst, dat hij tot de onvrijen behoorde.

Bij de Friezen en de Saksen vormden de laten een afzonderlijken stand: men had daar edelen, vrijen en laten en daarnaast de slaven. Karei de Groote nam dan ook bij zijne onderwerping van de Saksen laten zoowel als edelen als gijzelaars aan 9). Slechts in één artikel van de wet der Friezen wordt de laat met de beide andere standen gelijkgesteld: wanneer een slaaf een edele, een vrije of een laat zonder voorkennis van zijn heer doodt, moet de heer zweren hiertoe geen last te hebben gegeven 10).

Ook de boeten, door de verschillende stammen op het dooden van leden der verschillende standen gesteld, toonen het verschil. De Saksische wet berekent een edelman op 440, een laat op 120 en een

1) Pactus leg. Sal., tit. XIV, c. 6 j°. 4 (I, p. 25 en 24).

2) Cap. 803, § 10(?).

3) Lex Rip., tit. LVIII, c. 15 en 14 (I, p. 182).

4) Ibid., tit. XXII (I, p. 170).

5) Ibid. tit. XIX, § 3 (I, p. 170); „bunislegi", lees „buntslegi" ? „Bont" en blauw slaan.

6) Paneg, in Const, c. 21 (a°. 291).

7) Boeking, Not. dign.

8) Sloet, Oork.bk., No. 15. 9) Pertz, Mon. Germ., I, p. 296. 10) Lex Frisionum, tit. 1, c. 13 (I, p. 353).

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Sluiten