Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

93

leven lieten en die zij laten (litones) noemden". Nidhart, een kleinzoon van Karei den Groote, die dus geacht mag worden goed bekend geweest te zijn met de toestanden in het Saksenland, schrijft, dat het volk aldaar uit drie klassen bestond: edelen, vrijlingen en laten (lazzen). Hij voegt er bij, dat het aantal dezer laatsten ontelbaar was 1). Iets dergelijks vindt men geboekt in het Engelsche Domesdaybook, in 1086 opgemaakt. Daar is sprake van een klasse, vrijen (liberi) genaamd, die voor afstammelingen der door de Normandiërs verdrongen Angelsaksische grondbezitters gehouden werden.

In het land der Franken waren de laten öf vrijgelatenen öf afstammelingen van dezulken. Bij de Friezen kwam het voor, dat yrije mannen vrijwillig in den latenstand overgingen. Een artikel der Friesche wet bepaalt dat, wanneer een vrij-man uit eigen verkiezing of door nood gedwongen zich overgeeft in dienstbaarheid (servitium) van een edelman, een vrij-man of ook van een laat, en dit later ontkent, de persoon, aan wien hij zich heeft overgegeven, met 6, 7, 10, 12 of desnoods 20 eedhelpers, moet bezweren, dat hij hem nu een laat maakt; of wel de andere moet met zijn eedhelpers zweren, dat dit onwaar is. Zweert hij dat, dan is hij vrij; wil hij dat niet doen, dan blijft hij laat. Weigert echter een der beide partijen en zegt zij: „Ik wil alleen zweren en gij, zoo gij durft, logenstraf mijn eed en bestrijd mij met de wapenen", dat mogen zij doen, zoo het hun behaagt, en dan moeten zij in het krijt treden en de zaak door den tweekamp beslechten 2).

De verplichtingen van de laten der abdij van St. Germain in Frankrijk, in het Karolingische tijdperk, leeren wij kennen uit de aanteekeningen van Irmenon, abt van dat klooster. De laten van beide geslachten betaalden 6 den. hoofdgeld. Zij hadden een goed (mansus) met 9 bunders bouwland en een wijnberg. In het voorjaar moesten zij 8, in het najaar 3 maten (modii) wijn opbrengen. Zij hadden 8 hectaren te verzorgen in de wijnbergen van het klooster, wekelijks 2 dagen heerendiensten te doen met hand en wagen, naarmate hun bevolen werd. Bovendien moesten de vrouwen 8 ellen wol weven voor camisolen of in de plaats daarvan tyns betalen 3).

Van lateren tijd zijn de berichten van Teschenmacher betreffende de laten in Kleefsland. Niet alleen moesten de lassen op zekere dagen in de week en in de maand op den heerenhof met spade, paard, kar of wagen, of ook wel zonder deze arbeiden, maar bovendien eenig geld betalen onder den naam van tyns, somtijds ook tienden geven van al hun gewas, dat op den grond groeide of aan de boomen hing, „waarom zij bij de Saksen lassen, bij de Gelderschen laten heeten" 4).

In een uitspraak van den Bourgondischen raad van Gelre over de rechten der goederen van de abdij te Elten (8 Mei 1475) wordt bepaald, dat allen, „die laeten siin, eygen ende hoorige goeden hebben, der abdye toebehoorende, hoorigh ende ledigh egen nae

1) Nidhart, Hist, IV, 2,45.

2) Lex Fris., tit XI (I, p. 359). 3) Polypt. d'Irmenon, p. 75. 4) Teschenmacher, Ann. Cliv., p. 137 en 27.

Sluiten