Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

95

voor de laatgoederen der abdij te Elten. Zij hadden hun eigen recht, laatrecht (ius litonum), en spraken recht (laatbanken) onder voorzitterschap van hun voogd of meier. Dit wordt b.v. bepaald in een uitspraak van heer Otto van Kuyk tusschen den hertog van Brabant en graaf Reinald II, die geschil hadden over eene ruiling van goederen (29 Augustus 1337): in geval van moeilijkheden betreffende de te wisselen tynsgoederen zou de beslissing zijn „voer den hof, daert ute ruert, bi wisen der late" 1). Iets dergelijks, schoon niet geheel analoog, maar dat toch de medewerking der laten bewijst, vinden wij in 1374, toen de heer van Ubbergen aan zekere vrouw vergunning gaf om een erftyns uit haar hofstede te Ubbergen aan de H. Kruis-broederschap te Nymegen over te dragen. Deze oorkonde eindigt met de woorden: „Hier hebben over ende aen geweest onse laten Eyngelbrecht van den Steenacker ende Arnt van Zeflick" 2).

De samenstelling van zulk een laatbank blijkt uit het recht van den hof te Eickell van St. Pantaleon te Keulen, waartoe 23 hoeven behoorden. Uit de bewoners dier hoeven moesten 7 hofhoorigen worden gekozen, de verstandigste, wijste en eerbaarste, die 1 i t o n e s zouden heeten of „in het duitsch laten". Deze 7 zullen jaarlijks 4 malen met den hofmeier het hofgericht „bezitten" 3).

In vroege tijden bestonden er ook koninklijke laten, die evenals de fiscalini en al wat des konings was, voordeelen genoten en hooger dan de overige laten stonden. De Saksische wet veroorloofde hun een vrouw te koopen waar zij wilden, maar zij mochten geene vrouw verkoopen 4). Zij bezaten dus vrijheid van trouwen, een voorrecht dat de gewone laten destijds nog niet genoten.

29. MAALMANNEN, MALEN.

De maalmannen vormden een klasse van halfvrijen, die reeds voorkomen in een acte van 803, waarbij Karei de Groote ten behoeve der kerk van Paderborn afstand doet van zijn recht over hare slaven, laten en vrije maalmannen van beiderlei kunne. Op 2 November 1031 schonk Meinwerc, bisschop van Paderborn, aan het klooster Abdinghof aldaar goederen op de Veluwe en in Teisterbant 5). Deze schenking werd 15 lanuari 1032 bevestigd en toegelicht door keizer Koenraad II, die daarbij melding maakt van de menschen (homines), die op die goederen woonden, zoowel laten als vrijgeborenen, „ook homines, aan de Kerk geschonken, die men gewoonlijk malman noemt" 6).

1) Nijhoff, Gedenkw., I, No. 318.

2) Joosting, Nijm. Broedersch., Charters, No. 30.

3) Kindlinger, a.w., No. 195. 4) Lex Sax., tit. XVIII (I, p. 389).

5) Sloet. Oork.bk., No. 157.

6) Bondam, Charterboek, blz. 111; Monum. Paderb., p. 325, aangehaald door du Cange i. v. m a a 1 m a n. — De keizer neemt daarbij de maalmannen in zijne bescherming en schenkt al wat de koninklijke schatkist van hen behoort te ontvangen, tot eeuwige memorie van hem, zijne echtgenoote en zijn kinderen, aan genoemde kerk ten. behoeve van de armen der kérk enz. ■— In 1032 bezat Abdinghof 4 soorten van goederen op de Veluwe: 1. leengoederen, bezeten door vrijgeborenen; 2. vrije edele deelbare tynsgoederen, door laten gebruikt; 3. gevrijde abts- of vrije tinsgoederen door maalmannen bezeten; en 4. eigenhoorige of volschuldige abts-goederen, door vol-

Sluiten