Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

101

op hare goederen werkzaam waren, moesten vrij zijn. Op hen rustte geene andere verplichting van dienstbaarheid dan de jaariijksche betaling van eenige penningen of ponden was ter erkenning van hunne afhankelijkheid (deswege „dienst" (servi tium) genoemd). Zij waren de „wastinsigen van vryen geslachte (cereales de libera generatione), die in onze oorkonden voorkomen 1), eene klasse, die nagenoeg gelijkstond met de laten en kamerlingen. Hadden zij evenwel een aan de kerk behoorend goed in gebruik of waren zij afstammelingen van dergelijke personen, dan waren zij tot dezelfde diensten verplicht als de overige hofhoorigen. Toch verschilde hunne positie van die der hofhoorigen, doordat zij niet aan een vroonhof, maar direct aan den heer waren verbonden; zij kwamen daarin overeen met de laten uit vroeg-karolingische tijden. Dit blijkt o. a. uit het volgende. Een vrouw, verbonden aan een hof te Siegburg, wenschte zich met haar zoon en dochter over te geven aan de kerk aldaar. Om dit gemakkelijk te maken bood zij haar peculium aan voor den aankoop van goederen; zij zou daarvoor jaarlijks aan den hof 12 den. betalen. Aan haar wensch werd voldaan, omdat de kerk er niet alleen niets bij verloor, maar zelfs nog een jaartyns erbij won, en de vrouw met hare nakomelingen wastinsig bleef aan de kerk. De voogd, die daarvoor 30 sol. ontving, ontsloeg haar dus in tegenwoordigheid der schepenen van den hof, waaraan hare voorouders haar hadden verbonden, uit de hofhoorigheid en nam haar aan als wastinsige der kerk, met de verplichting voor haar en hare nakomelingen om jaarlijks op St. Maarten 2 den. te betalen aan het altaar

van St. Michael 2). ? 1 >; r-. , /,

Het oudste voorbeeld van wastinsigen in Oelderland levert de beruchte graaf Balderik, de man der niet minder beruchte Adeku Omstreeks het jaar 1035 schonk hij bij gelegenheid der inwijding van het door hem gestichte klooster te Zifflik daaraan 12 eigenmannen, uit de „kudde" (grege) zijner hoorigen (clientes) gekozen. Op St. Maarten moesten zij jaarlijks 2 den. of de waarde daarvan in was betalen en bij hun overlijden verviel het beste, dat zij bezaten, aan het klooster, terwijl aan hunne gansche nakomelingschap ten eeuwigen dage dezelfde verplichting werd opgelegd 3). Omstreeks dienzelfden tijd hooren wij ook van „mannen, wahstinsere genoemd, te Gent (Overbetuwe), die jaarlijks 4 sol. moesten betalen aan de abdij te Lorsch (in Hessen) 4), voor wastinsigen een hoog bedrag.

Wastinsigheid was erfelijk ten eeuwigen dage evenals elke andere vorm van onvrijheid. Dit ondervond Gysela van Anrode met hare familie. In 1228 ontkenden zij hunne wastinsigheid (ius cerocensuale) tegenover het klooster te Zifflik. Dit bracht de zaak voor den rechter, die ten gunste van het klooster uitspraak deed. De van Anrode's moesten na hun huwelijk jaarlijks 2 den. aan het klooster betalen, dan 6 den. voor de vergunning om te mogen trouwen; bij sterfgeval

1) B.v. Sloet, Oork.bk., No. 174 (1064).

2) Mirt. Rh. Urkb., III, 220 (1223). 3) Sloet, Oorkbk., No. 136.

4) Aid., No. 163. Dit klooster had daar reeds in 800 bezittingen (a. w., No. ZU).

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Sluiten