Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

2. Twee sluisjes in den Kelschen dijk voor de uitwatering van St. Agatha en Cuyk.

3. Een sluisje bij Katwijk voor Katwijk en Klein Linden.

4. De Groot-Lindensche sluis, het einde van een waterloop, komende van St. Agatha.

5. De Gasselsche sluis.

6. Twee kleine sluisjes voor Gassel en den polder van Escharen.

7. De Raam door een sluis op de stadsgrachten van Grave, of door een sluisje bij de Ravensche scheiding.

8. De Reeksche sluis, waardoor een gedeelte van het beekje, waarvan de eene tak te Velp en de andere bij Schayk ontspringt.

9. De Megensche sluis bij Dieden, waardoor het andere deel van het beekje sub 8.

10. De sluis bij O yen voor den polder van O yen.

11. De Teeffelensche sluis voor het Land van Megen.

12. De sluis aan 't Wilt.

13. De Roode sluis, het einde van de waterleiding voor het Laag Hemaal.

14. De Blauwe Sluis, het einde van de Hertogswetering, waardoor het water van Oss en Geffen en ook een gedeelte van dat van het Land van Megen en Ravenstein.

15. De Dieze, welke door haar ontstaan uit de Dommel en de Aa en het opnemen van de Bossche Sloot, het water uit het grootste deel van het gebied afvoert. Bovendien loozen op de Dieze de polders Van der Eigen, waarin begrepen de landen van Nuland, Rosmalen en Orthen, en de polders van Empel en Meerwijk, waarvan de eerste met drie en de tweede met twee sluizen.

16. De sluis voor de polderlanden onder Engelen en Bokhoven. Het Land van Heusden en dat van Altena hebben nooit geloosd

op de Maas tusschen Bokhoven en Woüdrichem, maar hebben hun overtollig water steeds op het Bergsche veld afgevoerd1).

In het Zuid-Oosten der provincie liggen een paar kleine gedeelten, o.a. te Reusel, die niet op de Maas, maar op de Schelde afwateren.

Naar de afwatering kan men Oostelijk Noord-Brabant als volgt indeelen2):

») Baron Krayenhoff: alsv. bldz. 79.

*) Voorloopig Rapport Bongaerts over Noord-Brabant, alsv. bldz. 9.

Sluiten