Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

dijksche land, is zeer verschillend van dikte, wat natuurlijk in verband staat met de hoogte van den ondergrond, die op vele plaatsen uit grofkorrelig zand bestaat, dat geheel overeenkomt met het tegenwoordige Maaszand en, evenals dit, rijk is aan grint. Bij dijkdoorbraken, zooals in 1920 en 1926 te Cuijk, bleek dit duidelijk.

Er bestaat een groot verschil in samenstelling tusschen de klei in het Land van Cuijk en die aan den Lagen Maaskant. Dit moet verklaard worden uit het verschil in snelheid van het Maaswater op die plaatsen. Daardoor wordt de grootte der door het water meegevoerde stoffen, die daar bezinken, gewijzigd.

De volgende analysen geven hiervan een beeld1). De monsters zijn genomen op een uiterwaard langs een recht riviervak, een paar meter van de rivier de Maas.

Herkomst

Diepte in cM.

CaCO, in •/•

Humus in "Zo-

Klei tot 20[i in •/,

IOnderverdeeling v. h. zandt

a.

20— lOOp in %

b

100-200/*

c

200-2000," in %

Zand tota 20-2000/tii

Beugen 0-25 0.15 3.82 28.11 24.85 23.99 19.08 67.92

25-50 0.05 2.07 25.21 29.85 22.76 20.06 72.67

50-75 0.09 1.72 26.67 35.59 17.62 1831 71.52

Alem 0-25 0.14 4.54 72.41 18.85 2.94 1.12 22.91

25-50 0.12 2.35 67.59 22.88 5.63 1.43 29.94

50-75 0.08 1.60 53.94 29.68 11.55 3.15 44.38

Het zand a en b noemt men samen het waterhoudende zand, het zand c het waterdoorlatende zand.

Opvallend laag is het gehalte aan koolzure kalk in de grondmonsters. Het is vrijwel nul, tot op groote diepte toe. En te meer is dit eigenaardig, daar het rivierslib, waarvan de klei afkomstig is, toch veel CaCOs bevat. Onderstaande analyse van Maasslib, onder Oeffeit verzameld, toont duidelijk het verschil met de klei2).

1) De monsters zijn onderzocht door de afdeeling voor bodemkundig onderzoek van het Rijkslandbouwproefstation te Groningen. *) Analyse Rijkslandbouwproefstation Groningen.

Sluiten