Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

51

Veghel en Den Dungen, tien stuks koperen Romeinsche munten werden gevonden1).

Tot eenige flinke verbetering van den toestand kwam het echter nog niet, en het bleef ook in den Franschen tijd ongeveer geheel bij plannen.

II. 1813 tot heden.

Bij de behandeling van dit hoofdstuk «al weder de indeeling van het Ilde deel gevolgd worden, en daarom «al worden begonnen met de bespreking van:

A. DE MAAS EN HET POLDERLAND.

a. De Maas.

In den Franschen tijd was het water dezer rivier verscheidene malen zeer hoog. Maar er kwam ook toen geen verbetering: Napoleon's regeering is daarvoor waarschijnlijk van te korten duur geweest.

Twee jaar na de vrijwording van Nederland, nl. in 1815, steeg het water der groote rivieren in ons land tot een schrikbarende hoogte2). Evenwel gebeurde toen van de zijde der Regeering vooreerst nog niets. De aandacht van ónze waterstaatkundigen bleef echter op den onhoudbaren toestand gevestigd. En het eerste bewijs hiervoor vindt men in het werk van den InspecteurGeneraal van den Waterstaat, J. Blanken Janszoon. Deze bood 9 April 1818 de Eerste Klasse van het Koninklijk Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten ter vervulling van een spreekbeurt een geschrift aan over den Rijn en de Maas in Nederland. Dit geschrift is het bovenaangehaalde werk geworden. Het werd, uitgebreid meteen Memorie van den Inspecteur-Generaal Goüdriaan en de berichten van de beide andere leden van de door het Kon. Ned. Instituut benoemde personeele commissie en de aanmerking van Mr. W. B. Donker Curtius, reeds hetzelfde jaar gedrukt.

l) Mr. C. W. Ackersdijk: Taxandrië, alsv. bldz. 89.

*) J. Blanken, Janszoon: Beschouwing over de uitstroöming der Opper-Rijn- en Maaswateren door de Nederlandsche rivieren tot in zee. Bldz. 19 en 20.

Sluiten