Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

„3. Aanzienlijk met het vorige middel in verband staande „verbetering van de polders benevens middelen tot spoedige „ontlasting der vloedwateren:

„4. Beveiliging der woningen in de landstreken, die over„stroomd worden;

„5. Verzwaringen en verhooging der dijken tot bevrijding „der polders, die niet overstroomd worden1)."

Van Rechteren vond het grondbeginsel van waterkeeringen, als de rivieren met ijs bezet zijn, roekeloos en schreef, „alle waterbouwkundigen zoowel de ouderen als die van latere tijden zijn het eens, dat dezelve nimmer had moeten plaats hebben8)." Daarom dan ook beval hij ais tweede hoofdmiddel aan verlaging der dijken. In de buitendijken moesten dan overstrijkende overlaten gemaakt worden, ± 40 c.M. boven het hoogst bekende zomer water *).

Zoo stelde hij voor tusschen Beers en Empel in den Zuider Maasdijk zes overlaten te maken *), welke zouden dienen tot zijdelingsche afleiding van het overmatig aangevoerde of door ijsdammen opgestuwde rivierwater.

Wanneer men nagaat, dat de Maas in Juli 1879 te Grave een stand bereikte van 10.95 M. + A.P. 6), of slechts 50 c.M. onder de kruinshoogte van den dijk, die aldaar 11.45 M. bedraagt •), terwijl de hoogste win terstand tusschen 1852 en 1882 11.26 M. + A.P. in December 1880 bedraagt7), dan kan men daaruit zien, dat de overlaten van J. H. van Rechteren voor de gewone waterstanden zonder beteekenis zouden zijn en alleen in zeer buitengewone gevallen zouden werken. Nog meer valt dit op, als men bedenkt, dat in April 1845 de dijk te Alem 15 c.M.

x) J. H. v. Rechteren: Verhandeling over den Staat van den Rijn, de Waal, de Maas en den IJsel, alsv., bldz. 43. 2) id. bldz. 70. ») id. bldz. 72 en 73. 4) id. bldz. 74.

6) J. G. W. Fijnje: Beschouwingen over eenige Rivieren, waaronder Nederlandsche, alsv. Deel III. bldz. 313.

*) Vervolg op het Rapport der Inspecteurs van den Waterstaat van 1864. bldz. 101.

7) J. G. W. Fijnje: Beschouwingen over eenige rivieren, alsv. Deel III. bldz. 313.

Sluiten