Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64

overgeloopen heeft en dezelfde dijk bij Blauwe Sluis slechts 8 c.M. boven den stand van het water in de Maas was *).

Bij deze laatste plaatsen zijn de dijken dus lager dan de overlaten, welke van Rechteren voorstelde.

Van Rechteren zei dan ook, dat de overlaten, welke hij voorstelde, zelden anders zouden werken dan bij ijsstopping 2). Hij wilde ook, evenals de Commissie in 1821, verruiming van de Beersche Overlaat en met de Staten-Commissie van 1818 een kanaal voor den afvoer van het overtollige water van de Dieze door de Bossche Sloot en de Loonsche vaart naar den Amer.

Had de Commissie van 1821 bezwaren tegen de zijdelingsche afleidingen, omdat daardoor meer dan tegenwoordig uitgebreide districten aan overstrooming zouden worden blootgesteld, van Rechteren voerde hiertegen aan, dat een geleidelijke en zachte overstrooming der polders bij verre na niet die schade kan veroorzaken, welke door dijkbreuken veroorzaakt wordt. Bovendien duurt de instrooming veel korter 3).

Ook H. J. v. d. Wijck verschilt in meening met de Commissie van 1821, voor wat de Maas betreft. Hij zegt, dat de middelen door de Commissie voorgesteld, in doelmatigheid niet konden opwegen tegen die van Baron Krayenhoff. En waar men zijn plan verwierp, had men ten minste iets beters ervoor in de plaats moeten leveren *).

Als het beste en als een afdoend middel gaf van der Wijck aan, om na de scheiding van Maas en Waal een nieuwe rivier te graven van Reek naar de Blauwe Sluis, waardoor het Maaswater goed zou kunnen afstroomen, en waardoor bovendien ook de Maaspolders een behoorlijke water lossing zouden krijgen 6).

Daar hij vermoedde, dat zijn ontwerp „als van te verre uitzigten aangezien kon worden", beval hij ook het ontwerp-Krayenhoff aan, met afsnijding van eenige bochten in de rivier. Bij sluiting

*) Bijlage V van het Rapport der Inspecteurs van den Waterstaat van 1864. alsv., bldz. 263.

*) J. H. van Rechteren: Verhandeling over Rijn, Waal, Maas en IJsel, alsv. bldz. 111.

3) J. H. van Rechteren: Verhandeling over den staat van den Rijn, de Waal, de Maas en den IJsel, alsv. bldz. 112-115.

4) H. J. v. d. Wijk: Over de Nederlandsche rivieren en de middelen tot dezelver verbetering, alsv. bldz. 51.

6) id. bldz. 102.

Sluiten