Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

65

van de Beersche Overlaat, achtte hij het noodig op verschillende plaatsen den bandijk te verleggen, om aan de stroombaan overal voldoende ruimte te geven en wel zoodanig, dat deze beneden Grave 5 a 6 en boven Heusden 6 a 7 maal de breedte van de rivier zou krijgen *). Voor het gedeelte van de Maas beneden Heusden wist hij geen betere oplossing dan het ontwerp Krayenhoff. Echter wilde hij uit het Oude Maasje een paar bochten wegnemen8).

Zeker verdient het vermelding, dat C. de Beer, die nog al van meening verschilde met de Commissie van 1821, voor wat betreft de voorstellen voor den Rijn en de Waal, in het geheel geen bedenkingen had tegen de ontwerpen ter afleiding van het opperwater van de Maas 8).

Na de verruiming van de Baardwijksche Overlaat en de Beersche Maastraverse geschiedde er voorloopig weinig ter verbetering van den waterstaatstoestand in Oostelijk Noord-Br-bant. Alleen werden bij K. B. van 25 Juni 1833 No. 43 en bij beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 2 Juli 1833 No. 133 (3e afd.) bepalingen gemaakt omtrent de overlaten, die in de algemeene omkading onder Vlijmen, Engelen> Bokhoven, Well en Hedikhuizen gelaten moesten worden. Er moesten twee overlaten zijn, elk van 600 M. lengte, de eene langs den linker Maasoever ongeveer 1.000 M. beneden Bokhoven, de andere in den Aardappeldijk onder Vlijmen. Deze overlaten moesten dienen om het Maaswater bij hoogenstandnaarde Baardwijksche Overlaat af te leiden, waarvoor de hoogte tusschen 15 November en 15 April bepaald was op resp. 3.80 M. en 4.10 M. + A.P. «)

Was aan de Staatscommissie van 1821 slechts opgedragen een onderzoek in te stellen naar de beste rivierafleidingen, de Commissie van 1828 had feitelijk dezelfde opdracht, of eigenlijk moest zij van advies dienen bij het nemen van een eindbesluit 5).

Intusschen hadden groote waterbouwkundigen als de Inspecteur-Generaal Brunings zich tegen het stelsel van zijdelingsche

1) H. J. v. d. Wijk: Nederlandsche rivieren en middelen tot verbetering alsv., bldz. 131-133. *) id. bldz. 149.

*) C. de Beer: Vrijmoedige gedachten op het Rapport aan Zijne Majesteit den Koning uitgebracht door de Commissie tot onderzoek der beste rivierafleidingen, bldz. VII.

*) A. de Geus: Beschrijving Overlaten, alsv. bldz. 25.

5) H. F. Fijnje: Vervolg beschrijving Overlaten, alsv. bldz. 81.

Sluiten