Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

betaling uit te stellen, tot het ontwerp der sluiting verder gevorderd was. Het gevolg hiervan was, dat de 5000 gld. dan ook niet verwerkt werden volgens de oorspronkelijke bestemming, maar gebruikt werden voor verbetering van de Waal bij Dreumel1).

Een paar jaar later, nl. in 1854, werd evenwel een aanvang gemaakt met de dichting.

E. v. Konijnenburg zegt: „Aan Krayenhoff de eer, dat hij het eerst het denkbeeld tot scheiding van Maas en Waal heeft aangegeven. Eerst 33 jaar later, werd de eerste stap gedaan in die richting door de dichting van het Schansche gat (kanaal van St. Andries) met den bouw van een schutsluis voor de scheepvaart (1854-1856) 2)."

Na deze dichting, uitgevoerd volgens voorstel van de Inspecteurs van den Waterstaat s), kon voortaan alleen Waalwater via de Heerenwaardensche Overlaten in de Maas komen.

Er bleven nl. nog altijd twee lage gedeelten over en wel: één van den Maas-en-Waalschen bandijk tot Oud St. Andries, lang 3.500 M., met een zomerkade hoog 6.95 M.+A.P. en één, loopende van het fort Nieuw St. Andries tot den Rossumschen bandijk, lang 1.130 M. en gemiddeld hoog 6.60 M. + A.P. *).

De zomerstanden op de Maas zijn door de dichting van het Schansche gat veel lager geworden, waardoor het land rondom 's-Hertogenbosch, dat tot dusverre vrijwel waardeloos was, omdat het bijna altijd onder water stond, nu 's zomers weder boven water bleef en vruchten kon voortbrengen, zoodat de waarde er van sterk vermeerderde.

Door laatstbedoelde dichting werd de afvloeiing van de Dieze echter zoo bevorderd, dat deze ongeschikt werd voor de scheepvaart.

Daarom heeft men bij Crèvecoeur een schutsluis gebouwd om de rivier op peil te kunnen houden. Dit geschiedde van 1858-18615).

Zeker is het te betreuren, dat men voor de scheepvaart geen andere oplossing heeft trachten te vinden. Immers nu moesten

1) Verslag der Conferentie te Utrecht 13 Jan. 1852 in H. F. Fijnje Vervolg beschrijving Overlaten, bldz. 137-139.

2) E. v. Konijnenburg: Scheiding Maas en Waal, alsv. bldz. 21.

3) Rapport Inspecteurs in H. F. Fijnje. Vervolg beschrijving Overlaten, alsv. bldz. 124, 125.

4) Dr. H. Blink: Nederland en zijn Bewoners, alsv. bldz. 97.

6) Gedenkboek Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1847-1895. bldz. 51. De Zuid-Willemsvaart en de Dieze door B. Hoogeboom.

Sluiten