Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

71

de landbouwkundige belangen wederom aan die der scheepvaart opgeofferd worden. De lage waterstanden op de Dieze toch zouden zeer bevorderlijk geweest zijn voor de afwatering van de lage gronden om 's-Hertogenbosch en voor die van de Dommel en de Aa. Zeker zouden deze alle bij lage waterstanden op de Maas een behoorlijke waterlossing gekregen hebben. Nog kort geleden, nl. in 1922, is bij een dijkbreuk nabij Crèvecoeur gebleken, dat de Dieze ongeveer kan droogloopen, als de sluis aldaar open staat.

Met de dichting van het Schansche Gat werd wel de eerste stap gedaan tot verbetering der waterloozing, maar de tweede liet lang op zich wachten. Intusschen werden er na Baron Krayenhoffs plan nog heel wat voorstellen gedaan en plannen gemaakt en is herhaaldelijk op algeheele scheiding aangedrongen.

H. F. Fijnje daarentegen sprak in 1849 1) als zijn meening uit, dat door de Nieuwe Merwede de waterspiegel bij Gorinchem zooveel zou dalen, dat de Maas daardoor een zoodanig grooter verhang zou krijgen, dat men in staat zou zijn, haar over de geheele lengte naar behooren in te richten, zonder dat een herstel van den loop van het Oude Maasje werd vereischt.

De Inspecteurs van den Waterstaat spraken in hun Rapport van Jan. 1850 in het geheel niet van de verlegging van den Maasmond.

„Een oud soldaat" wees echter in 1851 weder op het groote nut, dat de scheiding van de Maas en de Waal bij St. Andries, gevolgd door de sluiting van de Beersche Overlaat en de verlegging van den Maasmond, zou hebben op de afstrooming der rivier en op de afwatering der lage landen 2).

Vervolgens werd in 1861 door de inspecteurs van den Waterstaat de scheiding van de Maas en de Waal warm aanbevolen s).

In 1864 werd door den adspirant-Ingenieur W. F. Leemans en de Ingenieurs R.O. van Manenen M. B. G. Hogerwaard, een nieuw plan opgemaakt voor de scheiding van Maas en Waal. Dit plan was geheel uitgewerkt en alle noodige teekeningen en begrootingen waren er bijgevoegd.

In hoofdzaak werd in dit plan de door Baron Krayenhoff aan

l) Rapport van den Hoofdingenieur H. F. Fijnje; nopens den toestand der hoofdrivieren, zoowel in het belang der scheepvaart als der afstrooming van opperwater en ijs; in Fijnje Overlaten, alsv,, bldz. 91.

s) De Nederlandsche Hoofdrivieren en de plannen tot hun verbetering, alsv., Deel II. bldz. 142.

*) Rapport der Inspecteurs van den Waterstaat 1861, alsv. bldz, 135.

Sluiten