Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

voorgestelde ontwerpen zou kunnen worden overgegaan. Dit overleg zou zoowel moeten betreffen de uit te voeren werken als de gevolgen ervan. Daarbij zou ook aanleiding kunnen bestaan tot het treffen van geldelijke regelingen, als eenerzijds toe te kennen vergoeding voor nadeelen, die de werken zouden toebrengen, als anderszins betreffende het verleenen van bijdragen in de kosten van het werk1).

Met dit verslag was de commissie aan het einde van haar taak gekomen. Zij heeft gelukkig aangetoond, dat de mogelijkheid bestaat de Beersche Maas water vrij af te sluiten, zonder dat zulks het gevaar voor doorbraken of overstroomingen behoeft te vergrooten. Zelfs heeft zij een zoodanige afsluiting als de meest wenschelijke oplossing van het Beersche-Maas-vraagstuk aanbevolen.

Had de Commissie van de Zomersluiting 20 November 1919 verlof gekregen tot het maken van een waterkeering in de Beersche Overlaat, 18 October 1920 weigerde de Minister, op advies van de Staatscommissie, voor de sluiting van de Beersche Overlaat de vergunning, die slechts tot 15 November 1920 geldig was, te verlengen2). Zeker is dit wel eigenaardig, daar de Staats-Commissie er in 1919 geen bezwaren tegen had en men op dat oogenblik zelfs de definitieve ophooging tot 10.80 M. -f- N.A.P. reeds had voorbereid. Maar deze laatste moest gepaard gaan met een afgraving van het winterbed.

De Heer Jhr. Mr. van Sasse van IJsselt, deelde in de vergadering der Staten van Noord-Brabant van 22 Februari 1922 mede, dat de overlaatkade in den Beerschen Maasmond mogelijk nog vóór den winter van dat jaar aangelegd zou kunnen zijn. Zoo vlot is een en ander echter niet ver loopen. Eerst bij beschikking van den Minister van Waterstaat van 20 October 1921 werd aan het Waterschap „De Maaskant" vergunning gegeven tot het maken van de overlaatkade3). In 1922 werd het werk uitgevoerd. Het maken van de kade werd tegelijk met het afgraven van den voor de overlaat gelegen uiterwaard aanbesteed voor 357.740 gld. Het waterschap behoefde hiertoe slechts 35.000 gld. bij te dragen. De rest werd betaald door het Rijk, dat zich ook met het toezicht op de werkzaamheden belastte. Op

1) Verslag Commissie inzake Watervrije ophooging Beerschen Overlaat, alsv. bldz. 60. ») id. bldz. 6.

*) Verslag v. d. toestand der Prov. N.-Br. over 1921. bldz. 90.

Sluiten