Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

H.A. aangekocht werden, om tot vloeiweiden ingericht te worden. Van deze oppervlakte wordt de helft met versch water bevloeid1).

Spoedig nadat de vloeiweiden aangelegd waren, kreeg men in Noord-Brabant last van het vloeiwater, dat van België uit op de kleine rivieren werd afgevoerd.

Mede om de, voornamenlijk op Nederlandsen grondgebied, aangeheven klachten over last van het vloeiwater te doen ophouden, leidde men het Dommelwater in 1850 in het Kempensche kanaal in plaats van daar onder door, zoodat de grondduiker voortaan alleen overtollig water zou afvoeren2).

In den aanvang was de oppervlakte der vloeiweiden in België nog gering en de beschikbare hoeveelheid vloeiwater betrekkelijk groot. En volgens den Belgischen Hoofdingenieur Kummer had dit het gevolg, dat niet alleen te veel water gebruikt werd, maar dat ook water misbruikt is geworden 8).

Juist dit onmatig gebruik en nutteloos afvoeren van water, was de aanleiding tot de overbelasting van de Dommel en de daarmede gepaard gaande overstroomingen in Noord-Brabant. Vooral de eerste jaren der bevloeiingen kwamen er dan ook vele en zeer gegronde klachten van de oevereigenaren *). Reeds in 1848 werd door den Hoofdingenieur van den Nederlandschen Rijkswaterstaat, A. de Geus, een ontwerp opgemaakt voor de verbetering van de Dommel. De kosten daarvan werden geraamd op 96.000 gulden 6).

In 1851 en 1853 werden door het gemeentebestuur van Bergeijk en in 1853 door Waalre, Valkenswaard en Riethoven adressen aan de Provinciale Staten gericht over de nadeelen door het afstroomende water van de vloeiweiden onder Lommei aan de weilanden en turfvelden toegebracht, daar deze daardoor overstroomd werden.6)

De aanhoudende klachten over het ver buiten de oevers treden

*) Aanteekeningen Water af tappingen Boven-Maas, alsv. bldz. 50. 2) id. bldz. 27. s) id. bldz. 40. 4) id. bldz. 38.

6) Notulen Prov. St. v. N.-Br., alsv. Zomerzitting 1858. bldz. 84.

6) Aanteekeningen Wateraftappingen Boven-Maas, alsv. bldz. 38 en geschreven Notulen Prov. St. v. N.-Br., alsv. Zomerzitting 1853. bldz. 17.

Sluiten