Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

schap en tevens een opgave te vragen van de perceelen, welke in het waterschap opgenomen behoorden te worden1).

Als oorzaken van den wateroverlast werden genoemd:

„1. de toevoer van bevloeiingswater uit België;

„2. de ontginning van woeste gronden;

„3. het misbruik, dat door de watermolens van de Dommel „wordt gemaakt;

„4. de belemmering van den waterafvoer dier rivier door de „vele ondiepten met zandplaten;

„5. de onbekwaamheid van de Dommel en de zijriviertjes „door deze en meer andere oorzaken om het water te ontvangen „en af te voeren"2).

Dit voorstel werd om advies naar de betrokken afdeelingen der Staten gezonden. In de Statenzitting van 4 Juli 1856 werd daar nog bijgevoegd een adres van grondeigenaren te Woensel en Tongelre, waarin aangedrongen werd op verbetering van den zeer ongelukkigen toestand der Dommel en bijbehoorende rivieren, hetzij door oprichting van een waterschap, hetzij door andere gepaste middelen s). Reeds in de zitting van 10 Juli daaraanvolgende werd het verslag uitgebracht over het voorstel. Als het eenige middel om tot verbetering van den toestand te geraken werd de oprichting van een waterschap aanbevolen, dat samengesteld zou moeten worden uit al de gemeenten langs de Dommel en haar zijrivieren gelegen *). In dezelfde vergadering werd besloten de stukken aan Ged .Staten te verzenden tot onderzoek en voorbereiding van de werkzaamheden aan de oprichting van een waterschap verbonden6).

De Hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat had 8 September 1856 aan Gedeputeerde Staten medededeeld, dat het ontwerpDe Geus van 1848 herzien zou moeten worden, omdat de Dommel niet meer in denzelfden staat was8).

In de Statenvergadering van 4 November 1856 kwam een schrijven van Gedeputeerde Staten aan de orde, waarin machti-

*) Notulen Prov. St. v. N.-Br., alsv. Zomerzitting 1856, bldz. 60.

») id. bldz. 61.

«) id. bldz. 78.

«) id. bldz. 173 en 175.

») id. bldz. 185.

•) id. Najaarszitting 1856. Bijlage II, bldz. 12.

Sluiten