Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

160

werd, zoodanig te verbeteren, dat bedoeld water naar behooren afgevoerd zou kunnen worden. Echter maakte het hierbij het voorbehoud, dat de provincie daarvoor subsidie geven zou en het door den Hoofdingenieur ontworpen verbeteringsplan eenigszins vereenvoudigd werd.

Gedeputeerde Staten vestigden in hun antwoord aan den Minister diens aandacht op het feit, dat door de Noord-Brabantsche riviertjes Maaswater wordt afgevoerd, volgens een tusschen de Belgische en Nederlandsche Regeeringen getroffen overeenkomst. Zij meenden, dat daarom de verplichtting van het Rijk en die van de Provincie, om bij te dragen in de kosten der verbetering van die riviertjes, niet op een lijn gesteld konden worden. Bovendien wezen zij erop, dat aan art. 8 der Additioneele artikelen1) der grondwet van 1798 nooit eenige uitvoering gegeven was. Evenwel verklaarden zij zich bereid, een eventueele aanvrage om subsidie van het waterschapsbestuur bij de Provinciale Staten te ondersteunen.

In Mei 1872 wendde het waterschapsbestuur zich tot de Provinciale Staten om een bijdrage uit de Provinciale kas. In het verzoekschrift werd er op gewezen, dat de riviertjes, behalve door het Belgische vloeiwater ook door het water van de vele ontginningen in de provincie zoodanig bezwaard werden, dat hun capaciteit onvoldoende was. En hierop grondde het waterschapsbestuur zijn verzoek om een provinciale subsidie. Bovendien wees het er op, dat men de draagkracht van het waterschap niet moest berekenen naar de oppervlakte, daar er vele lage beemden, moerassen enz. toe behoorden, die slechts een waarde van hoogstens 100-250 gulden per HA. hadden, terwijl ook vele andere gronden door de aanhoudende waterschade belangrijk in waarde gedaald waren.

In verband met de meening van het waterschapsbestuur, dat het verbeteringsontwerp, door den Rijkswaterstaat opgemaakt, voor vereenvoudiging vatbaar was, detacheerde de Minister den ingenieur Bekaar tijdelijk in Noord-Brabant, om zulks te onderzoeken en zoonoodig het plan om te werken. Mogelijk was het ontwerp ook wel wat ruim opgevat als gevolg van het beginsel neergelegd in art, 4 van de instructie der Nederlandsche leden van de Internationale Commissie voor de onderhandeligen over

») Zie bldz. 221

Sluiten