Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

184

„heven worden van de ongebouwde eigendommen naar hun kadas„trale belastbare opbrengst, met dien verstande echter, dat zoolang „die opbrengst voor eigendommen, welke bij of na de inwerking„ treding van dit reglement in ontginning waren of op eenigerlei „wijze productief gemaakt, minder dan 10 gld. per H.A. bedraagt, „die eigendommen zullen worden aangeslagen als bedroeg hunne „kadastrale belastbare opbrengst 10 gld. per Hectare1).

Het voorloopige waterschapsbestuur had voorgesteld de nieuwe wijze van heffing der lasten te doen gelden, totdat de Provinciale Staten een andere regeling zouden hebben vastgesteld. Maar de Bijzondere Commissie van de waterschappen kon zich hiermede niet vereenigen, omdat zij vreesde, dat dan de voorloopige heffing permanent zou worden, en zij wilde daarom alleen een afwijking der bepalingen van het reglement tot een vastgestelden datum toestaan. Ook zij scheen de groote bezwaren te gevoelen,welke moesten voortspruiten uit de door het waterschapsbestuur voorgestelde regeling. Immers zij wees erop, dat door deze manier van omslag, de eenige juiste weg, een aanslag naar gelang het belang bij de rivierverbetering, niet bewandeld wordt. Bovendien werd in haar rapport erop gewezen, dat als gevolg van de verandering in de regeling van den omslag ook de artikelen gewijzigd zouden moeten worden, waarbij de bestuursverkiezing geregeld was, en de verhouding, volgens welke de stemgerechtigde ingelanden hun stemmen zouden uitbrengen. En hierin zagen zij het gevaar, dat de kans zou bestaan, dat de eigenaren van de hoogere gronden, die der lagere zouden overstemmen. Door het daarop vastgesteld, art. 146 bis worden nu alle gronden met gelijke kadastrale belastbare opbrengst evenhoog aangeslagen in de waterschapslasten.

Dit is verkeerd. Vooreerst toch laat de grondslag, waarop de aanslag thans gebouwd is veel te wenschen over, maar bovendien is deze laatste nu ook geheel in strijd met de gedachte, waarvan men bij het vaststellen van het reglement, is uitgegaan. Immers toen stelde men zich voor, dat de gronden, die het meeste belang bij een goeden waterafvoer hebben het zwaarst belast moesten worden.

Zeker had men een betere oplossing voor den overgangstijd kunnen vinden.

x) Notulen Prov. St. v. N.-Br., alsv. Zomerzitting 1922, bldz. 37.

Sluiten