Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

190

nu 22000 a 25000 — gld. per jaar te besteden aan nieuwe onderhoudswerken?

De ingelanden van het waterschap bleven ontstemd, en dit is ook duidelijk gebleken bij de bestuursverkiezingen.

Een zaak, die veel stof heeft opgejaagd, is ook de schuld van het vorige waterschap. In art. 163 van het waterschapsreglement van het tegenwoordige waterschap het „Stroomgebied van de Dommel", is bepaald, dat het nieuwe waterschap alle schulden van het oude overneemt. En nu werd dit, ofschoon aanvankelijk daarvan niets vernomen is, door verschillende ingelanden als een te drukkende last beschouwd, en men wilde daarom de oude schuld door de Provincie laten aflossen.

Zeker is het te betreuren, dat de sympathie voor het waterschap, dat zelfs zonder eenig bezwaar door de ingelanden aanvaard werd, door een en ander zooveel geleden heeft.

Verschillende eigenaren van hooge gronden verkeerden in de meening, dat hun gronden niet in het waterschap opgenomen konden worden en dat zij geen waterschapslasten zouden behoeven te betalen.

De Grondwet van 1848 bepaalt echter in tegenstelling met die van 1815 in art. 192 uitdrukkelijk, dat de Staten van de Provincie de bevoegdheid hebben om wijziging te brengen in de „inrichting" d.i. den omvang en de bestemming van een waterschap. De Grondwet van 1887 legt zelfs vast, dat de Provincie (d. i. de Staten) een waterschap kan opheffen (Art. 190, 2de lid).

Dit is in de Grondwet (thans artikel 192) neergelegd, naar aanleiding van een kwestie *) in de Staten van Gelderland, bij de vaststelling van een nieuw waterschapsreglement.2)

Thorbecke, die vond, dat het vaststellen van den omvang enz. van een waterschap iets was, dat als van publiekrechtelijken aard diende te worden beschouwd, heeft doorgevoerd weten te krijgen, dat het geregeld werd, zooals het thans duidelijk in de Grondwet staat.

Hij vond het noodig, dat aan de Provinciale Staten de meest uitgebreide bevoegdheid werd gegeven om ten aanzien van de

M Mr. A. G. Brouwer: Proeve ten betoog der dringende behoefte van dijk- en polderzaken in Gelderland aan een grondwettige herstelling. *) Goedgekeurd 23 September 1837.

Sluiten