Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

191

waterschappen onder 's Konings goedkeuring alle hervormingen aan te brengen, die zij noodig mochten achten. Hij beriep zich daarbij voornamelijk op de historie, op de ontwikkelingsgeschiedenis onzer waterschappen en het valt niet te ontkennen, dat hij voor zijn standpunt sterken steun vond in het feit, dat reeds ten tijde van de Republiek meermalen door de Provinciale Besturen regelend was opgetreden met betrekking tot de waterschappen binnen hun gebied. Thorbeckes opvatting is tot uitdrukking gekomen in art. 192 der Grondwet van 1848. Het gaf de Provinciale Staten de bevoegdheid om, onder goedkeuring des Konings, veranderingen te maken „in de bestaande inrichtingen en reglementen der waterschappen". Ook de inrichtingen der waterschappen mochten dus veranderd worden, d.w.z. dat wijziging mocht worden gebracht in de poldervereeniging zelf, in „het verband, dat de verschillende ingelanden tot een éénheid „samenbond. Voortaan stond het dus vast, dat Provinciale „Staten ook in dat verband wijzigingen kunnen aanbrengen. Het „Thorbeckiaansche standpunt werd alzoo in de grondwet vastgelegd; de Regeering meende wel, dat het er al vanaf 1815 in „stond, maar het meeningsverschil maakte ook volgens haar een „verduidelijking wenschelijk"1).

De Grondwet in 1887 bracht in art. 190 (het tegenwoordige artikel 192) nog duidelijker de bedoeling van den Grondwetgever van 1848 tot uitdrukking door buiten allen twijfel te stellen, dat de Provinciale Staten ook de bevoegdheid hebben bestaande waterschappen te veranderen of op te heffen en nieuwe op te richten.

Voor het in een waterschap opnemen van landerijen, die bij het waterschap in het geheel geen belang hebben, de gronden van klasse A, blz. 182 bestaat echter geen juridische grond. Die opneming moet achterwege blijven.

Art. 673 B. W. toch bepaalt: „Erven die lager liggen „zijn, ten behoeve van degene die hooger gelegen zijn, ver„plicht het water te ontvangen, hetwelk daarvan natuurlijk „afloopt, zonder dat zulks door menschen toedoen bevorderd worde.

„De eigenaar van het erf dat lager ligt mag geenen dijk

*) Mr. R. Kranenburg: Het Nederlandsche Staatsrecht, II bldz. 283 284.

Sluiten