Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

192

„of dam opwerpen, waardoor deze uitwatering belet wordt; „daarentegen mag de eigenaar van het hooger gelegen erf niets „in het werk stellen, waardoor de toestand van hetgene dat lager „ligt verzwaard wordt".

Hieruit kan worden opgemaakt, dat het beekje, dat voor den waterafvoer dient, en dus ook de gronden,die daaraan zijn gelegen, verplicht zijn tot ontvangst van het water, dat van de hooge gronden daarheen afvloeit, en dat zij dus ook de lasten moeten dragen, die de waterafvoer met zich brengt. Maar ook wordt bepaald, dat de hooger gelegen gronden den waterafvoer in geenen deele mogen bevorderen. Een waterschap, gevormd over de lage gronden, zou dus wellicht iedere ontginning van hooger gelegen gronden, zoodra daardoor de waterafvoer zou toenemen, onmogelijk kunnen maken, óf de eigenaren dezer gronden tot medebetaling kunnendwingen. Toch zou in dit geval de eigenaar der hooger gelegen gronden niet gebaat behoeven te zijn bij de verbetering van het waterafvoerend vermogen van de beek, maar de medebetaling zou gevorderd kunnen worden op grond van Art. 673 B.W., 2de lid, dat uitdrukkelijk het toebrengen van schade verbiedt.

Daarnaast zullen er vele gronden zijn, die reeds lang in cultuur zijn en waarop het genoemd artikel geen vat heeft, bijv. oude bouw- en weilanden en ook bosschen, zoowel met zichtbaren als onzichtbaren waterafvoer, die geen belang hebben bij de verbetering van de beek, maar die toch door het geheele werk, hetzij door het aanleggen van nieuwe bruggen, hetzij door betere verkeerswegen enz. gebaat kunnen worden. Ook in dit geval is er reden om deze gronden in het waterschap op te nemen.

Aan de Provinciale Staten is in dezen groote macht geschonken, zoowel wat betreft de oprichting van waterschappen, alsook zelfs de vaststelling van den aanslag. Dit mag echter niet leiden tot het brengen ineen waterschap van gronden, die daarbij in geen enkel opzicht gebaat zijn, en kennelijk alleen met de bedoeling, om met den daardoor te krijgen financieelen steun,de uitvoering van verbeteringsplannen mogelijk te maken. Kunnen de werkelijk belanghebbenden de te maken kosten niet dragen, dan beginne men het werk niet, óf, indien de gemeenschap er prijs op stelt, dat dit werk geschiedt, dan betale zij het ontbrekende.

8 Februari 1922 werd het Nader Rapport Bongaerts inzake

Sluiten