Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

213

klasse". Het nieuwe art. 144 vermeldt, dat de heffing geschiedt op basis van de kadastrale opbrengst en wel naar de verhoodingscijfers 7 en 5. Voor de gronden bedoeld in art. 7 sub 2 onder a, b, c end van de wet van 1870 wordt de belastbare opbrengst aangenomen op 20,— gld. per HA. voor bouw- en weiland en op 5,— gld. voor bosschen, terwijl het verhoudingscijfer hiervoor op 4 gesteld is.

Verder is in een nieuw art. 144öis bepaald, dat alle gebouwde eigendommen binnen het stroomgebied gelegen, aangeslagen zullen worden naar hun kadastrale belastbare opbrengst, zoodanig, dat de gezamenlijke aanslagen x/4 zullen bedragen van de totale opbrengst van de heffing der ongebouwde eigendommen (het waterschapsbestuur had voorgesteld de helft1).

Van verschillende zijden waren bedenkingen tegen de voorstellen ingekomen. Deze hebben tot gevolg gehad, dat de aanslag voor de gebouwde eigendommen verlaagd is. Zeker is het zeer eigenaardig, dat men voor deze categorie maar één klasse heeft. Het valt toch beslist niet tegen te spreken, dat gebouwen, binnen het overstroomingsgebied gelegen, een zeer veelgrooter belang hebben bij een verbetering van de afwatering dan de daarbuiten gelegene.

De voorstellen voor de ongebouwde eigendommen werden ongewijzigd met een over groote meerderheid van stemmen inde Statenvergadering aanvaard. Toch waren hiertegen zeer ernstige bezwaren ingebracht. Maar de Provinciale Staten stonden voor de groote moeilijkheid, dat bij verwerping der voorstellen, het waterschap over 1926 geen aanslag zou kunnen heffen.

De grondslag der heffing, de kadastrale belastbare opbrengst, is niet juist. Algemeen toch wordt deze als in hooge mate verouderd beschouwd. Tal van onbillijke aanslagen moeten er het gevolg van zijn 2).

Juist die perceelen in klasse één, die het meeste belang bij de verbetering hebben, zullen het minst betalen, omdat hun belastbare opbrengst zeer gering is, en omgekeerd. Bovendien is de redactie van art. 143 zeer ongelukkig 8).

Het waterschapsbestuur zegt, dat het van zeer weinig belang is voor de perceelen van de tweede klasse, hierin nog een onderver-

1) Notulen Prov.St.v.N.-Br., alsv. Najaarszitting 1925, bldz. 68 e.v. *) ld. Bezwaarschrift Dir. Ned. Heidemaatschappij, bijlage 49 H.H. bldz. 116. s) Vergelijk ook bldz. 181 e.v.

Sluiten