Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

214

deeling te maken, daar dit wegens de lage heffing in die klasse geen noemenswaardig verschil kan opleveren. Bovendien geeft het bestuur als zijn meening te kennen, dat men veilig kan aannemen, dat de gronden van de eerste klasse gelijke belangen bij het waterschap hebben1).

Of een onderverdeeling van de gronden van de tweede klasse van beteekenis «ou zijn, zou op de eerste plaats van die verdeeling zelf afhangen en daarnaast van de grootte van den aanslag, die zeker voor de toekomst nog niet bekend is. Op welken grond het bestuur mededeelt, dat de gronden van de eerste klasse gelijke belangen hebben, is niet vermeld. Zeker kan de juistheid van deze mededeeling zeer sterk in twijfel getrokken worden, als men de uitkomsten van het onderzoek van het overstroomingsgebied van de Dommel nagaat 2).

Zoolang het waterschap „het Stroomgebied van de Dommel" nog geen of weinig verbeteringswerken uitgevoerd heeft, zullen de aanslagen niet hoog behoeven te wezen. Bovendien is er door de laatste reglementswijziging voor de ongebouwde eigendommen eenige verlichting gekomen, doordat voortaan ook de gebouwde aangeslagen zullen worden. Overigens is er zeer weinig door veranderd. De verhoudingscijfers voor de heffing in de beide klassen, 7 en 5, drukken zeker niet het belang uit, dat de verschillende gronden bij het waterschap zullen hebben.

De bezwaren tegen de heffing volgens het oude art. 1466ïs worden door de nieuwe regeling onvoldoende of niet opgeheven. Zoodra door het waterschap belangrijke uitgaven voor rivierverbetering worden gedaan en daardoor de lasten zullen moeten stijgen, zullen zij nog in veel grootere mate dan thans gevoeld worden. Spoedig zal blijken, dat men in deze nieuwe regeling geen oplossing heeft, welke tot billijke aanslagen kan voeren.

Mogelijk ware het daarom beter geweest, dat de Provinciale Staten ook aan deze wijze van heffing slechts een tijdelijk karakter toegekend hadden. Ze is immers toch geheel ongeschikt om ook na de rivierverbetering toegepast te worden.

Bovenstaande wijziging, door de Provinciale Staten 21 Januari 1926 in het reglement gebracht, heeft echter de Koninklijke

i) Notulen Prov. St. v. N.-Br., alsv. Najaarszitting 1925, bijlage 49 U. Bldz. 96. ») Vergelijk ook bldz. 191 e.v.

Sluiten