Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

247

in het waterschap te betrekken. Ondanks het feit, dat in 1888 nog niets gebleken was van een regeling tusschen de betrokken gemeentebesturen, boden Gedeputeerde Staten toch het door den Hoofdingenieur opgemaakte ontwerp, vergezeld van de bezwaarschriften en het door dezen daarover uitgebrachte rapport aan de Provinciale Staten aan1).

De Bijzondere Commissie voor de Waterschappen deelde in haar verslag over de stukken mede, dat volgens het begeleidend schrijven van den Hoofdingenieur aan Gedeputeerde Staten, de aanleiding tot de oprichting van dit waterschap was, het voornemen van het bestuur van het waterschap ter verbetering van den waterstaatstoestand in het Noord-Oostelijk gedeelte van Noord-Brabant om te gelegener tijd een Peeldam te leggen. Nu vond zij het onjuist een waterschap op te richten, omdat van een naburig waterschap gevaar gevreesd werd 2).

Alleen indien het waar bleek, dat de oprichting gewenscht werd ter verbetering van de waterloozing van de Raam, zooals de Provinciale Hoofdingenieur in zijn laatste rapport mededeelde, meende de commissie te kunnen adviseeren tot medewerking. Echter zou het waterschap dan nog niet de grootte behoeven te krijgen, die in het ontwerp voorgesteld werd 8).

De commissie adviseerde het ontwerp-besluit niet aan te nemen. Eigenaardig is het zeker, dat over het verzoek van belanghebbenden in 1880, om een waterschap over de Raam op te richten, in het verslag der commissie gezwegen wordt. Bovendien bleek uit dit verzoek, dat men zelfs een Uitgebreider waterschap wenschte, dan in het ontwerp voorgesteld werd4).

Nadat de behandeling van dit verslag zoowel in de zomer- als in de najaarszitting der Staten van 1888 aangehouden was, werd in de volgende zitting besloten de stukken naar Gedeputeerde Staten terug te zenden om nadere voorstellen 6).

Op verzoek van Gedeputeerde Staten werd nu door den Hoofdingenieur der Provincie een nieuw ontwerp-oprichtingsbesluit gemaakt vooreen waterschap van kleineren omvang. Hierin waren in art. 3 ook de Horsensche Graaf en de Singelgracht van Grave

1) Schrijven van Ged. Staten van 9 Febr. 1888. G. No. 107-17.

') Notulen Prov. St. v. N.-Br., alsv. Zomerzitting 1888, bldz. 66.

3) id. bldz. 67 en 68.

*) id. bldz. 68.

*) id. Zomerzitting 1889. bldz. 50.

Sluiten