Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEELHEID DER VORMEN — INDIVIDU

153

gebondenheid, de telkens hoogere verbanden en daarmee telkens nieuwe. . . . individuen die, hoezeer ook een feitelijke veelheid, toch naar buiten als een eenheid, een ik, werken. Een hooger Ik, maar dat de integriteit der het samenstellende lagere ik-heden niet vernietigt, doch alleen hun zelfstandigheid opheft en hen omvat als een nieuw verband van nieuw, zelfwerkend vermogen.

INDIVIDU.

Hier blijkt ten volle de betrekkelijkheid van het ik-begrip. Want is inderdaad een individu, dat deel uitmaakt van een ander — en waarom niet van meer andere tegelijk, zooals één factor kan voorkomen in meerdere afhankelijke funkties — is zulk een individu wel een. . . . individu? Is één bij een individu, of moeten wij den geheelen zwerm waarin de deel-funkties der afzonderlijke bijen eerst hun doelmatige integratie vinden, een individu noemen ? Is de menschelijke geest, uit het verband van ontelbare andere geesten geboren en door hun ongeweten werking gevoed, die zelf op ongeweten wijze werkzaam is voor een onbekend hooger complex, is die geest een individualiteit? En nog meer: waar is de positieve grens die een Ik van zijn niet-ik scheidt? Voortdurend toch streeft het Ik, assimileert het, onderwerpt het zich nieuwe kracht, maar wanneer is een ervaren relatie tot vastgelegd Ikelement, tot medewerkend deel van het reëele Ik

Sluiten