Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DENKEN EN DOEN

159

wikkelende middelen daartoe waren de zich steeds hooger potentieerende werkingen van zijn geest: zijn vlugger waarneming, zijn klaarder erkennen, zijn omvangrijker associaties, zijn vooruitziende fantasie. Maar „wenschelijk", niet „noodzakelijk". Men vergete niet dat in dien „begintijd" der evolutie van het menschelijk denken, natuurlijk nog tal van andere dieren een even gevaarlijk en wisselvallig bestaan hadden zonder dat zij hun lot verbeterden door juist hun verstand en vernuft te scherpen. De omstandigheden hebben den geest dus hoogstens geholpen, niet genoodzaakt zich te potentieeren. Ik herinner hier nog eens aan de in „Zelfbezinning en Wereldbeeld" ter sprake gebrachte theorie van Bolk, volgens welke de ontwikkeling der primaire menschelijke kenmerken een gevolg is van een endogeen, dat is een innerlijk bepaald proces.

Hoe het zijjnin en door het feitelijke leven heeft zich het denken ontwikkeld, dat wil zeggen: is de Logos in den mensch ontwaakt, aan zichzelf meer en meer als menschelijke Rede bewust geworden. Nooit ware de geest, zonder langzamerhand op bepaalde wijze te leeren handelen, dat wil zeggen zich werkelijk tegenover de dingen te stellen, in den mensch tot zelfbewustzijn gekomen. De onbeholpen oermensen zou zelfs — al ware een in huidigen zin logische gedachtegang voor hem mogelijk geweest — nooit ons levensbeorip hebben kunnen bereiken, eenvoudig omdat de daartoe noodige levenservaring

Sluiten