Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

170

ZEDELIJKE EN REDELIJKE WERELDORDE

schappen volstrekt nog niet algemeen als zoodanig werden beschouwd. Een accidenteele loszinnigheid en onmatigheid golden oorspronkelijk — en zelfs thans nog in veler oogen — als deugden, als bewijzen van kracht, die geenszins met de verstandige en eveneens navolgenswaardige matigheid in strijd waren en dus zeer wel vereenigd met hun schijnbare tegenstellingen in één persoon konden voorkomen. Voor Plato is de matigheid zeer zeker een deugd; toch misprijst hij Sokrates, die alle gasten van Agathon onder de tafel drinkt, allerminst. En dan, de moraal bestaat aanvankelijk immers nog niet om haars zelfs wil, doch alleen terwille van de macht van den stam, zoodat eigenschappen als sluwheid, roofzucht etc. die als ondeugden gelden in den stam, deugden zijn ten opzichte van het gedrag tegenover barbaren. Waarom dan zou een volk dat een Odysseus vereert, niet ook de sluwheid naast de rechtschapenheid tot een goddelijke deugd verheffen? Ook in dit opzicht nadert het naïeve gevoel tot het inzichtsvoller bewustzijn dat recht en ruimte geeft aan alle menschelijkheden. Slechts het tusschen beide phasen werkzame, grenzen zoekende verstand stelt tegenover elkaar wat eerst naast elkaar bestond. Doch zelfs in tijden waarin de moraal reeds vereenzijdigd werd en de begrippen goed en kwaad een schijnbaar absoluut karakter verkrijgen, breekt toch telkens weer de oude stambeteekenis door en worden algemeen verachte ondeugden wederom tot deugd.

Sluiten