Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOODSVREES EN DOODSVERLANGEN

207

„ou ti moi aitiè essi, theoi nu moi aitioi eisin" -)

roept Priamos van den wal van Troje af Helena toe en zonder zweem van verwijt; de goden zijn het, niet zij, wier wil hem den tranenrijken krijg der Achaiers oplegde. Hij smaadt haar niet; maar hij roept haar liefkozend:

„denro paroith' elthousa, philon tekos, izeu emeio"2)

en met welgevallen, met teederheid, ziet de gansche raad der ouden neer tot haar, de schoonheid, en geen beklaagt, noch verwondert zich dat om harentwil zoo vele helden den dood moeten vinden. Optimisme en een kinderlijke luchthartigheid doen hen den verschrikkelijken wil der goden eigenlijk toch met bereidwilligheid volvoeren; hun leven is een spel, een heldenspel en zelfs het diepste fataliteitsgeloof is niet bij machte hun eigen-wil te breken. En diezelfde Grieken die eens den zichzelf helpenden, alle lasten en moeiten des levens uit eigen kracht overwinnenden Herakles vereerden als hun heerlijkste voorbeeld, die forsche, levensblijde Hellenen, worden begeertelooze Cynici, apathische Stoïcijnen, wereldverzakende Christenen.

DOODSVREES EN DOODSVERLANGEN.

Het dekadente idealisme, zoowel in religie als in filosofie, is het leven vijandig. Wat voor de religie

1) Ilias III. 164. Gij zijt voor mij niet schuldig, de goden alleen zijn schuldig.

) Hierheen lief dochterken, kom nu en zet n hier neer aan mijn zijde.

Sluiten