Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOODSVREES EN DOODSVERLANGEN

215

die hij overigens aan anderen ontleent — niet als absolute geopenbaarde waarheid te doen gelden. „Zoo, of zoo ongeveer" stelt hij zich dit alles voor. Er is geen zekerheid, het is een waag het te ge~ looven, maar „kalos gar ho kindunos" „het is een schoone waag", en men moet iets dergelijks hebben „als om zichzelf te betooveren." Niet altijd spreekt hij apodiktisch; Plato (Sokrates) wil zijn dogmas niet opdringen, meent hij; zelfs waarschuwt hij er tegen hem op zijn woord te gel00ven, spoort aan tot kritiek; en toch, zoo goed als Boeddha vóór hem, zoo goed als Jezus na hem, liet hij toen hij heen ging „tegelijk zichzelf en de anderen bedriegend" als een bij den giftigen angel zijner leer in de harten achter. En wie weet hoe menig moe en levensziek tobber nog nu na het lezen zijner troostredenen verlicht de stereotype antwoorden fluistert: „Juist; ge hebt volkomen gelijk, o Sokrates; zeker, zoo is het." Maar wat is, afgezien van Plato's logischer argumentatie en bescheidener voordracht, hét verschil tusschen zijn moraal en die van Boeddha of Jezus? Zoo goed als hun religie heeft zijn filosofie wezenlijk geen ander doel dan den zwakken geest een houvast te geven in zijn zwaren strijd, een bevrediging voor zijn verlangen naar onbereikbare kennis, een troost voor niet te lenigen smarten, een hoop op wederzien van het verlorene, een belooning voor vergeef sche inspanning en opoffering, een vergoeding voor onschuldig

Sluiten