Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEDELIJKE EN REDELIJKE WERELDORDE

voor zijn religieus gevoel. Zoo hij zich tot de massa wende zij het niet om eigen geloof te versterken, maar om haar te verlossen uit de slavernij harer infantiele oerdriften en neurotische waanvoorstellingen en haar aldus op te heffen als „massa", haar te herscheppen tot „groepen" van vrij-verbonden, kollektief voelende. . . . individuen.

MORALITEIT EN RECHTSBEGRIP DER TOEKOMST.

Met de opheffing der religieuze sanktie en met de erkenning dat ook de filosofie steeds haar levenswijsheid „voorop zet", lijkt alle vastheid, alle absoluutheid aan de moraal ontnomen. Er is geen moraal meer in den ouden, imperatieven zin. Tot dusver was moraal öf gehoorzaamheid aan de geboden eener hoogere macht, öf op vooroordeel berustende zelftucht. Op de vooroordeelen van den vrijen geest echter grondt zich slechts levende moraliteit, geen doode moraal. In den bevrijden geest bevestigt het leven zichzelf. Al wat dit leven dient, dat is verheerlijkt, vergoddelijkt, is goed; wat het schaadt verwerpelijk. Maar noch dit goede, noch dit kwade zijn op zichzelf en altijd goed of kwaad. De geest zal overwegen, kiezen, wat hier, wat ginds het best is. Hij zal vragen: wat is goed, wat is objectief juist, in deze bepaalde omstandigheden ? en naar dit redelijk inzicht zal hij handelen. En waar hij niet weet te antwoorden omdat zijn rede het zedelijk conflikt

260

Sluiten