Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

CHRISTENDOM EN UNIVERSEELE RELIGIE

De vraag rijst hier allereerst: hoe wij samenhang en samenhangloosheid hebben te verstaan. Wij htfinneren ons dat dit alles te maken heeft met het ontwikkelingsproces, waarvan uitgangspunt is onbepaalde samenhangloosheid, einde bepaaldheid en samenhang. Maar in dezen weg is een phase, waarin al wel ongelijksoortige bepaaldheden zijn tot stand gekomen, maar deze nog niet of ternauwernood ouderlingen samenhang hebben verworven. Het is ook zoo te zeggen, dat de differentiatie al reeds en ten volle een feit is, de integratie nog in statu nascendi (in den staat van geboren te worden). Zoo zouden de verschillende culturen aanwijzing zijn, dat er in dit opzicht reeds een zeer markante differentiatie is; hun nog gebrekkige samenhang beteekenen, dat wij aan wezenlijke integratie hier nog niet toe zijn. De „spenglersche" toestand zou zoo te zien zijn als een phase, als een verschijnsel van rijpere jeugd van ons ras. En het is niet moeielijk van hier uit verschijnselen te verstaan, waarop Spengler overigens overdreven nadruk legt, als verkeerde beïnvloeding, misverstand, scheeven groei. Zeker, dit alles heeft in de'menschelijke historie een zekere alom-tegenwoordigheid maar als verschijnsel van rijpere jeugd toch een bijzondere veelvuldigheid en speciale beteekenis. Men is nog niet ten volle zichzelf geworden, daarom is beïnvloeding zoo vaak in verkeerde richting, daarom ook afweer tegen deze zoo sterk.

De speculatieve philosophie ziet ook hier het kosmisch rhythme: eenheid (in den zin van eener leiheid), veelheid, veeleenigheid. De eenheid, d.i. dus de primitieve menschheid; de veelheid, dat zijn de

Sluiten