Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHRISTENDOM EN UNIVERSEELE RELIGIE

29

van het monotheïsme keerzijde is het dualisme. De vele goden hebben voor den éénen God plaats gemaakt, maar die God is zóó hoog verheven, dat hij is geworden ten opzichte van de wereld de gehéél Andere. Geen onderscheiding is in den gedachtengang van het monotheïsme zoo reëel als die van God en wereld, Schepper en schepsel. Zij is het voorbeeld geworden van alle onderscheidingen. In de monotheïstisch-dualistische wereld weet men eerst goed wat onderscheid is. Wij zagen reeds, dat dit in de primitieve wereld nog geenszins het geval is, maar evenmin kent het Oosten de onderscheiden als wij (men denke b.v. aan Indië, waar alle onderscheid en veelheid geldt als Maya, waan). Niets heeft meer bijgedragen, om het besef van onderscheid in te scherpen dan het geloof in den van de wereld onderscheiden God. Vol van duidelijke bepaald- en scherpe begrensdheid is de daardoor zoo karaktervolle wereldbeschouwing van Jood, Islamiet en Calvinist. Dr. A. Kuyper had van zijn standpunt recht in de „verflauwing der grenzen" den eigenlijken vijand te zien. En al geldt het gezegde niet in die mate van het Christendom1) als zoodanig — het is in zoo enge begrenzing niet opgegaan; door zijn oorsprong niet alleen uit het Jodendom maar ook uit de rijk geschakeerde Hellenistische wereld heeft het een veelzijdigheid, welke sommige zijner vormen niet zouden doen vermoe-

_ ') In den Islam is de mystiek een bijzonder opvallende uitzondering, maar deze stamt dan ook goeddeels uit Perzië, land met Arische bevolking en eigen, rijke religieuse traditie, voorbestemd tot den oppositioneel, den „protestant" in het Mohammedanisme.

Sluiten