Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHRISTENDOM EN UNIVERSEELE RELIGIE

31

zij toch, reeds als zoodanig, een en ander in zich, hetwelk boven de bepaaldheid uitwijst.

Als karakteristiek voor de Westersche cultuur heeft Spengler, naar het mij voorkomt met zeer gelukkigen greep, den drang naar de verte genoemd. Zij is in dit opzicht uitzonderlijk, vergeleken bij alle andere culturen, die alle geneigd zijn bij honk te blijven, slechts de arabische gaat eenigermate in de richting van de westersche. Spengler heeft dit aangewezen aan onze wiskunde (oneindigheidsrekening), natuur- en sterrenkunde, schilderkunst, muziek, staatkunde enz. In het bijzonder voor ons van belang is, dat wij aan dezen drang naar de verte danken de ontdekking der aarde. Gebied van een cultuur was in het verleden steeds een begrensd deel onzer planeet, zij was aan het landschap gebonden; het is voortaan onze aarde in haar geheel. Er is iets feitelijks in dit alles, dat natuurlijk ook Spengler erkennen moet; of zijn stelsel hem ook toelaat het feit naar zijn beteekenis te schatten, in te zien dat de menschheid hier voor een toestand als nimmer te voren staat en daarmede mogelijk voor een geheel nieuwe bladzijde in haar historie, het moet ontkend worden. Ook hier legt hij zeer sterken nadruk op de nadeelen: de westersche cultuur is in den staat der civilisatie, zij legt haar civilisatie op aan de resten der andere culturen, ook aan de nauwelijks geboren russische, die haar dus wel met doodelijken haat moet haten. Ik ontken volstrekt niet, dat ook hier Spengler heel veel goeds zegt. Maar ik vraag toch; is dit alles wijd genoeg gezien? is dit alles niet in veel breeder verband te zien, waarin deze bedenkelijke verschijnse-

Sluiten